‘Blended worship’ als kader voor de eredienst

revelation_responseDe boekdrukkunst in de middeleeuwen en de audiovisuele revolutie van de vorige eeuw hebben beide een grote impact gehad op liturgie. In dit artikel gaat Klaas-Willem de Jong in op het concept van ‘Blended Worship’ van Robert Webber die expliciet aandacht geeft aan de tweede ontwikkeling. Hij gaat na hoe dit concept zich in Nederland verder ontwikkeld in “Verbindend Vieren’ en hoe het concept zich theologisch en liturgisch verhoudt tot de geschriften uit de gereformeerde traditie van respectievelijk O. Noordmans en F.G. Immink. In de conclusie daagt hij, juist diegenen die in deze traditie staan, uit met de nieuw verworven inzichten aan de slag te gaan.
(Gepubliceerd en met toestemming overgenomen uit Theologia Reformata 58-4 (2015), www.theologiareformata.nl )

 

Het ‘amen’ op de preek heeft geklonken. De organist zet het voorspel in van de vooraf opgegeven psalmverzen, 73:12 en 13 (O.B.):

 

‘k Zal dan gedurig bij U zijn,

in al mijn noden, angst en pijn;

U al mijn liefde waardig schatten,

wijl Gij mijn rechterhand woudt vatten.

(…)

Dit voorbeeld kan door tal van andere vervangen worden. Het kan een andere psalm, een andere berijming of een lied uit een andere bundel zijn. In vrijwel alle gereformeerde literatuur ter zake wordt in het algemeen ingegaan op de rol van de gemeente in het lied.[1] Op welke momenten er in de dienst gezongen wordt is zelden onderwerp van reflectie, laat staan dat er afgezien van principiële vragen meer specifiek nagedacht is over de vraag wat er gezongen moet worden. De predikant die de verzen uit psalm 73 heeft uitgezocht, zal desgevraagd aangeven dat hij ze rekening houdend met de inhoud van de preek en de situatie van zijn gemeente vindt passen. Het zal duidelijk zijn dat daarvoor kennis en een gezonde dosis intuïtie nodig zijn. Hoe brengen we echter een en ander theologisch en liturgisch ter sprake? Een antwoord op deze vragen biedt de theorie van ‘blended worship’, in Amerika ontstaan en ontwikkeld, in Nederland verder doordacht onder de noemer ‘verbindend vieren’. In dit artikel geef ik een schets van deze benadering. Vervolgens ga ik kort na hoe deze benadering zich verhoudt tot twee geschriften uit de gereformeerde traditie. Het ene is Liturgie (1939) van O. Noordmans, het andere het vrij recente Het heilige gebeurt (2011) van F.G. Immink. Ik eindig met enkele conclusies.

 

  1. Van ‘blended worship’ naar ‘verbindend vieren’

 

1.1. ‘Blended worship’: naam en naamgever

Wie op internet op zoek gaat naar de term blended worship krijgt de indruk dat het vooral om de liederenkeuze gaat. Nogal wat Amerikaanse kerkelijke gemeenten gebruiken blended worship om aan te duiden dat er zowel liederen uit de kerkelijke traditie gezongen worden als hedendaagse nummers uit de  sfeer van ‘praise and worship’. In dit artikel wil ik de term blended worship hanteren, zoals die met name door de Amerikaan Robert E. Webber (1933-2007) in verschillende met name populaire uitgaven zowel principieel als praktisch is uitgewerkt.[2] Verschillende auteurs maken bij het gebruik van blended worship de kanttekening dat het hierbij in feite gaat om een praktisch concept met een min of meer willekeurige mix van elementen, met name van liederen.[3] Zij geven daarom de voorkeur aan ‘convergence worship’, aangezien dit een meer principieel karakter draagt: het is gericht op een bewust beoogd, nieuw geheel.[4] Webber kende ook deze term maar onderscheidde die niet of nauwelijks van het door hem overwegend gehanteerde blended worship. Hij zou overigens van harte instemmen met de principiële inzet van de critici, aangezien die goeddeels samenvalt met zijn eigen benadering. Omdat ook in Nederland blended worship ingeburgerd is, blijf ik deze term gebruiken. Webbers theologie van de liturgie laat zich mede verstaan vanuit zijn biografie. Hij werd geboren in een baptistengezin in Belgisch Kongo. Kennismaking met de Byzantijnse liturgie en de achterliggende theologie zette bij hem een beweging in gang die eindigde in de overstap naar de Anglicaanse Kerk.[5]

 

1.2. ‘Blended worship’: context

Webber wijst voor het ontstaan van het concept blended worship op drie ontwikkelingen. De eerste ontwikkeling is cultuurhistorisch en sociaal-maatschappelijk van aard. Webber stelt vast dat zich in de jaren vijftig van de vorige eeuw in de westerse wereld een omgekeerde reformatie voltrok.[6] Tot in de late Middeleeuwen ontwikkelden mensen zich tot gelovigen door de verhalen die ze hoorden vertellen en door de rituelen waarin deze verhalen waren ingebed: leren door participeren in de gemeenschap. Dat veranderde met de komst van de boekdrukkunst. Geloofsontwikkeling kon door de veelheid van materiaal in boekvorm buiten de eigenlijke geloofsgemeenschap plaatsvinden. Waar voorheen vooral de zintuigen werden aangesproken, kwam door een meer begripsmatige benadering van het geloof het accent op het verstand te liggen. Verbeelding, voor zover aanwezig, verinnerlijkte. De omgekeerde reformatie in het midden van de vorige eeuw wordt gekenmerkt door een nieuwe opmars van de beeldcultuur. Het begon met de televisie en werd versterkt door de komst van internet. Opnieuw is het principe: ‘learning by doing’, al is anders dan in de Middeleeuwen door de techniek de directe aanwezigheid van een gemeenschap geen voorwaarde meer. Parallel met de herwaardering van het beeld vinden enorme verschuivingen plaats in de muziekcultuur. De popmuziek doet haar intrede. In de (religieuze) communicatie is een verschuiving waar te nemen van conceptuele naar symbolische taal.

De tweede ontwikkeling die ten grondslag ligt aan blended worship is kerkelijk van karakter: de liturgische kruisbestuiving tussen kerkelijke tradities.[7] Webber stelt vast dat twee groepen kerken zich elk op een eigen wijze liturgisch vernieuwden. In Amerika betrof dit enerzijds gevestigde kerken, die hun liturgie herbronden en elkaar in dit proces beïnvloedden. Anderzijds waren er evangelicale en aanverwante groepen. Hier lag het accent op het zoeken van aansluiting bij de moderne cultuur. Met synthesizer, gitaar en drums introduceerden zij nieuwe instrumenten in de eredienst, met drama en dansnieuwe vormen. Het zijn alle uitingen van zogenaamde contemporary worship. Er ontstond een wisselwerking tussen beide groepen kerken. Vormen van contemporary worship deden hun intrede in gevestigde kerken. Vertegenwoordigers van contemporary worship begonnen klassieke liederen en gebedsteksten te gebruiken.

De derde ontwikkeling behoort tot het bereik van theologie en wetenschap: het ontstaan van de ‘narrative theology’ in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw.[8] Theologen die zich tot deze stroming bekennen proberen een brug te slaan tussen enerzijds de liberale theologie en anderzijds evangelicale en conservatieve benaderingen. Een en ander roept als vanzelf de vraag op: hoe moet dit doorwerken in een eigentijdse liturgie(k)?

 

1.3 ‘Blended worship’: uitwerking

Centraal in Webbers liturgiek staat de zin ‘Worship does God’s story’.[9] Webber zegt hierover zelf: ‘Worship proclaims, enacts, and sings God’s story. Worship is not a program. Nor is worship about me. Worship is a narrative – God’s narrative of the world from its beginning to its end.’[10] De gemeente wordt onderdeel van dit verhaal door de kracht van de Heilige Geest.[11] Op de Pinksterdag doet de Geest Gods geschiedenis opnieuw verstaan en zet Hij mensen aan zich in die geschiedenis te voegen. Met deze pneumatologische inzet hoeft het niet te verbazen dat de liturgie een missionaire spits krijgt: ‘How will the world know its own story unless we do that story in public worship?’[12] In het verlengde van Webbers keuze ligt ook het actieve aandeel van de hele gemeente, ‘each individual’s wholehearted participation’.[13] Ambten spelen hoegenaamd geen rol, hooguit een functionele. Webber fundeert zijn benadering met het woord gedenken, al klinken in het Engelse ‘remember’ dat hij gebruikt ook woorden mee als herinneren en herdenken.[14] In het gedenken worden Gods heilsdaden present gesteld, door de kracht van de Geest. Dit gedenken is ingebed in de Schrift zelf. Webber wijst in het bijzonder op Deuteronomium 6:20-25 en 1 Petrus 2:9-12. In beide teksten lopen verleden en heden in elkaar over: wij waren slaven in Egypte, God heeft jullie uit de duisternis geroepen. Webber onderscheidt twee liturgische vormen van gedenken. De eerste is wat hij noemt ‘Historical Recitation’: preek, belijdenis en lied. Hierin ligt het accent op het woord. De tweede vorm van gedenken is ‘Dramatic Reenactment’. Hierbij valt onder meer te denken aan het heilig avondmaal. Voorop staat de handeling.

Aan de dimensies van verleden en heden voegt Webber vervolgens die van de toekomst toe: ‘worship anticipates the future’.[15] Webber verwijst voor dit inzicht naar een rabbijn, maar onderbouwt dit niet vanuit het gedenken als zodanig. ‘Worship makes [the] connection between past and present because worship celebrates God’s saving deeds in the past that culminate in the future.’[16] De Schepper is ook de Verlosser: ‘It means that worship should do God’s narrative and point to the future when creation, delivered from sin, will be restored to God’s original design.’[17] Liturgie anticipeert in de lofprijzing op Gods toekomst, een herschapen wereld, waarin het werk van Christus door de kracht van de Heilige Geest voltooid wordt.

Het gedenken verandert mensen.[18] In het verlengde van de liturgie ligt daarom voor hem de ethiek.[19] Na de kerkdienst gaan we uiteen om lief te hebben en te dienen.[20]

Wat betekent Webbers narratieve benadering voor de liturgische praktijk? Dat laat zich in het licht van de in paragraaf 1.2 geschetste ontwikkelingen die Webber hebben beïnvloed eigenlijk al wel raden. Aan de ene kant wil Webber recht doen aan wat hij ziet als de klassieke, bijbelse structuur van de christelijke eredienst. Deze bestaat uit vier onderdelen: het samenkomen, het Woord, de tafel, en het gezonden worden.[21] Aan de andere kant wil Webber hedendaagse vernieuwingen honoreren, door gebruik te maken van moderne (kunst)uitingen op het gebied van muziek, beeld, pantomime/toneel, enzovoort. In Webbers liturgie worden klassiek en modern een nieuw geheel.[22] Ik maak hierbij twee aanvullende kanttekeningen. De eerste betreft de liturgische structuur. In feite vallen daar alle bestaande vormen onder. Bij het samenkomen omvat het elementen als schuldbelijdenis, genadeverkondiging, lofprijzing, stilte, begroeting, maar zonder dat Webber zich op één vorm, of één bepaalde volgorde vastlegt.[23] De inhoud is bepalend en normerend: ‘The Ascent into God’s Presence’.[24] De viering van de eucharistie heeft wel zijn voorkeur maar de dankzegging die in zijn visie op de eucharistie overheerst, kan ook op andere wijze vorm krijgen.[25] Hij noemt als voorbeelden spontane reacties op de preek, getuigenissen, een uitgewerkte dienst van de gebeden en plannen voor concrete actie.[26] De tweede kanttekening richt zich op de rol van de kunst. Die is dienend van karakter: ‘Worship is never to be arts-driven, but arts-enhanced. What should be prominent in worship is the celebration of God’s great deed of salvation in Jesus Christ.’[27]

 

1.4 Verbindend vieren

In het Nederlandse taalveld bestaat geen equivalent voor blended worship. De liturgiewetenschapper Marcel Barnard introduceerde in ons land de term bricolageliturgie. Deze is echter primair beschrijvend van karakter.[28] Voor dat wat Webber met blended worship wilde, hebben degenen die zich in de beweging Eredienst Creatief in Nederland door zijn gedachtengoed hebben laten inspireren daarom het meer normatieve ‘verbindend vieren’ gekozen.[29] Het gaat om een verbinding van verschillende elementen en inhouden die tezamen een nieuwe, samenhangende eenheid vormen, móeten vormen. Deze beweging constateert dat Webbers benadering zich niet zomaar over laat zetten naar de Nederlandse situatie, ook niet met weglating van typisch Amerikaanse verschijnselen.[30] Webbers vlotte en aanstekelijke manier van schrijven heeft een keerzijde. Zijn benadering is als het erop aankomt nogal fragmentarisch. Zo introduceert Webber het begrip narrativiteit voor de liturgie zonder dat verder uit te werken. Een fundamentele doordenking van de verhouding tussen liturgie en cultuur, in het bijzonder liturgie en kunst ontbreekt. Uit alles blijkt dat in Webbers opvatting het de liturgievierende gemeente is die Gods ‘story’ ‘doet’. Maar wat betekent dat voor de ambtelijke voorganger en diens positie? Enzovoort. Ook Webbers gedachten over gedenken doen beperkt aan, waar dit begrip in de Nederlandse liturgiewetenschap al enkele decennia gemeengoed is.[31] De publicatie Verbindend vieren gaat dieper in op een aantal thema’s dat Webber aansnijdt, en biedt daarnaast ook concrete aanzetten voor de praktijk.[32] Er liggen echter nog steeds de nodige theologische vragen die een antwoord behoeven.[33] In de volgende paragrafen zal ik vanwege het feit dat het een meeromvattend concept is en vanwege de gewenste beknoptheid in plaats van blended worship spreken van verbindend vieren.

 

  1. Langs de gereformeerde meetlat

Het model van verbindend vieren staat op het eerste gezicht op gespannen voet met, zo niet haaks op de praktijk van de gereformeerde eredienst. Dat neemt niet weg dat juist de gereformeerde liturgie als product van de Reformatie een antwoord zal moeten vinden op de omgekeerde Reformatie die Webber signaleert, van woord naar beeld, van conceptuele naar symbolische taal. In het kader van dit artikel kijk ik met name naar mogelijke principiële bezwaren tegen verbindend vieren. Dat doe ik met het oog op het concept als geheel vanuit een van de meest principiële en daarmee ook extreme gereformeerde denkers over liturgie, O. Noordmans. Een tweede peiling verricht ik aan de hand van de relatief recente publicatie Het heilige gebeurt van F.G. Immink, met het oog op de participatie van alle bij de kerkdienst betrokkenen. Deze participatie is voor Webber fundamenteel.[34] Ik heb voor Noordmans en Immink gekozen omdat zij in mijn opvatting de enigen in ons taalgebied zijn die na de start van de liturgische beweging op basis van gereformeerd-calvinistische uitgangspunten een volwaardige liturgiek gepubliceerd hebben.[35] 

 

2.1 O. Noordmans

Noordmans’ Liturgie verscheen in 1939, als tegenwicht tegen de in de jaren dertig sterk opkomende liturgische beweging onder leiding van G. van der Leeuw. We vinden het uitgangspunt van Noordmans’ denken over de liturgie letterlijk in het hart van dit boek: ‘Op Golgotha vergaan alle gestalten en alle vormen.’[36] Liturgie is in zijn opvatting daarom per definitie fragmentarisch van karakter.[37] In de protestantse eredienst staan de verschillende elementen niet in een logisch, samenhangend verband. De liturgie, meer in het bijzonder de liturgische orde, mag niet een zelfstandige factor worden waardoor het Woord wordt ingeperkt. Het moet volgens Noordmans mogelijk blijven ‘dat het Woord de schrilste wanklanken zal wakker roepen en dat de tekenen de werkelijkheid niet vertolken, maar er tegen vloeken.’[38] Dat kan alleen als het  Woord en de daar gelokaliseerde ontmoeting met God buiten ons plaatsheeft.[39]

Verbindend vieren lijkt haaks te staan op Noordmans’ benadering. Bij nader inzien ligt dat genuanceerder. Webber hamert weliswaar op een naar zijn stellige overtuiging op de Schrift terug te voeren vierslag – samenkomen, Woord, tafel, gezonden worden – maar daarbinnen is de ruimte groot.[40] Binnen de beweging van verbindend vieren willen sommigen ook dit basispatroon, weliswaar incidenteel, loslaten.[41] Daar maakt men de liturgie als het ‘doen’ van ‘God’s story’ ondergeschikt aan de inhoud van het Woord, veel radicaler zelfs dan in een gereformeerde eredienst gebeurt. Nu argumenteert Noordmans niet toevallig vanuit het ‘vocale Woord’, namelijk om het Woord optimaal de ruimte te bieden.[42] De daarmee gezekerde beweeglijkheid en soevereiniteit van het Woord worden beperkt zodra die in wat voor vorm dan ook worden vastgelegd. Dat is een kritische kanttekening bij verbindend vieren en vergelijkbare benaderingen, waar naast gesproken woord en preek een veelheid aan vormen gebruikt wordt. Terecht lijkt me echter Van der Leeuws relativering dat het Woord als pure boodschap ondenkbaar is. Ook het Woord als woord heeft vorm.[43] Het is voor mij dan ook de vraag of het verschil tussen beeldend preken en het gebruik van een concrete afbeelding niet veeleer gradueel dan principieel is, zeker als de afbeelding als zodanig geen pretentie heeft.[44] Afgezien daarvan relativeert Noordmans zijn strengheid ten aanzien van andere vormen dan die van het levende Woord door de vorm van zijn eigen schrijven en spreken. Die is dikwijls van een grote schoonheid.[45] De schoonheid van de vorm schuift daarmee als het ware tussen het achterliggende Woord en de hoorder/lezer. Ik beschouw Noordmans’ benadering daarom vooral als een oproep om oplettend te zijn wat er gebeurt bij het gebruik van welke vorm dan ook om het Woord te vertolken. Dat geldt onverkort ook de traditionele gereformeerde eredienst met zijn vaste vormen, waarin nogal eens confessie en conventie met elkaar verward worden.

 

2.2 F.G. Immink

F.G. Immink ziet in zijn recente Het heilige gebeurt de kerkdienst als ‘gemeenschappelijke handeling’, een performance.[46] Voor Immink is de gemeentezang bij uitstek een actieve handeling van de gemeente als geheel. ‘Vormgeving en stijl zijn menselijk handwerk’, waarbij een kunstzinnige aanpak vereist is.[47] Het menselijke krijgt dus voluit een plaats. Enerzijds belijden protestantse gelovigen de eenmaligheid van het offer van Christus. Anderzijds delen zij door de Geest in het verworven heil.[48] Kernachtig schetst Immink de positie van de protestantse traditie: daar ‘ligt het accent op de werking van de Geest die het geloof opwekt (en daardoor komt het menselijk geestesleven in beeld), terwijl in de rooms-katholieke traditie de nadruk ligt op de kerkelijke bemiddeling in de sacramentele handeling.’[49] De Geest activeert het menselijke zelf. Hij wordt aangeroepen zodat het menselijke hart ‘zich openstelt voor het nieuwe en onverwachte.’[50] Vrucht van deze inwerking is onder meer de verbeelding,die Immink overigens in het bijzonder op de religieuze taal betrekt.[51] Nieuwe werelden openen zich. Hoewel Immink niet of nauwelijks spreekt van gedenken, beschrijft hij op deze wijze wat er gebeurt als de christelijke gemeente in de liturgie gedenkt.[52]

Immink gaat uit van de klassieke protestantse eredienst, met een min of meer voorgegeven liturgie, preek en op gezette tijden bediening van de sacramenten. Dat maakt voorzichtig om zijn bevindingen ten aanzien van de participatie van de aanwezigen zonder meer over te zetten op modellen als die van verbindend vieren. In de klassieke protestantse eredienst is met name de predikant aan het woord. Immink geeft geen antwoord op het feit dat participatie een wezenlijk kenmerk geworden is in de hedendaagse cultuur. Zijn sterk pneumatologische beschrijving sluit echter niet principieel uit dat anderen het woord nemen, zolang zij ook dan maar niet denken dat ze het met elkaar kunnen ‘maken’. De uitwerking is en blijft afhankelijk van Gods Geest.

 

  1. Conclusies

Tot slot wil ik eerst terug naar het voorbeeld van het begin, de verzen 12 en 13 van psalm 73 (O.B.) na een niet nader omschreven preek. De aanpak van verbindend vieren is een geschikt instrument bij het reflecteren op de keuze van een lied. Met name Noordmans maant wel tot voorzichtigheid, maar maakt deze weg niet geheel onbegaanbaar.

Ik wijs in de eerste plaats op het begrip gedenken. Verbindend vieren vestigt vanuit de achterliggende vooronderstellingen de aandacht op dit in de Nederlandse liturgiewetenschap stevig geëxploreerde begrip. In de psalmverzen past de gemeente het zojuist verkondigde op zichzelf toe. Het bepreekte heilsfeit uit het verleden, krijgt in het heden betekenis met het oog op de toekomst: ‘‘k Zal dan gedurig bij U zijn’ (curs. KWdJ). Het ‘dan’ heeft hier in de eerste plaats een concluderend aspect: dan in de zin van in dat geval. Vervolgens heeft het in het verlengde daarvan een toekomstig karakter. Beide werken op elkaar in.

Dit moment in de dienst laat zich in de tweede plaats ook uitstekend narratiefduiden. Hoewel als onderdeel van een concrete dienst voluit feitelijk, laat het zich in het hier en nu beschrijven en duiden als verhaal, dus vanuit de narratieve methodiek. Het lied is als lied een narratief element dat aan het in de concrete dienst vertelde verhaal een bepaalde dynamiek geeft. Het is vervolgens onderdeel van de verhaallijn van de dienst, maar tegelijk zelf ook mededrager van een complex geheel van verhaallijnen, kortweg de Wirkungsgeschichte van de Psalm. Besef van de narratieve lading kan de voorganger behulpzaam zijn bij het maken van een keuze.

Hiermee is echter het laatste woord nog niet gezegd. Verbindend vieren heeft een veel breder bereik dan de liedkeuze alleen. Het beoogt net als Webber een antwoord te geven op een cultuuromslag, waarin in het bijzonder het woord plaatsmaakt voor het beeld. Noordmans is van vóór deze omslag, Immink is van ná die tijd. Immink doet door het centraal stellen van het participatiemotief recht aan de cultuuromslag waarin ‘learning by doing’ opnieuw het motto geworden is. Hij beperkt zich echter tot de min of meer geijkte vormen van de protestantse traditie.[53] Noch Noordmans noch Immink geeft daarmee een antwoord op de gesignaleerde veranderingen in en sinds het midden van de vorige eeuw. Toch is een antwoord nodig, waar juist de gereformeerde theologie zich zozeer rekenschap heeft gegeven van de omslag een half millennium terug. Een simpele afwijzing volstaat niet. De tijden zijn veranderd.

De traditionele gereformeerde eredienst staat haaks op de moderne cultuur. Dat moet niet te snel principieel geduid worden, aangezien er ook tijden zijn geweest waarin het verschil aanzienlijk kleiner is geweest, zo niet de culturen binnen en buiten de kerk naadloos op elkaar aansloten. Ik ken geen voorbeelden van gereformeerde diensten die de slag hebben gemaakt van verbindend vieren. Daarmee zijn ze dan namelijk doorgaans van kerkelijke kleur verschoten, of in evangelicale, of in ‘oecumenische’ richting. Dat mag in het licht van de ontkerkelijking zelfs bij een hoge waardering van de gereformeerde traditie geen bezwaar zijn. Toch zie ik ook wel ruimte voor meer ‘learning by doing’ in een sobere, gereformeerde setting, zeker als het bij ‘gereformeerd’ primair om de inhoud gaat. Webbers aanpak laat nadrukkelijk ruimte voor verschillende accenten, ook voor dit. De belangrijkste vraag is misschien wel: wie durft?!

 

Noten

[1] Ik noem als voorbeeld: M.J.G. van der Velden, W.P. van der Aa en H.J. de Bie jr., Als wij samenkomen. Liturgie in de gereformeerde traditie, Zoetermeer 2000, 19-22 (vgl. 123-143 en 144-149). ‘Blended worship’ als kader voor de eredienst

[2] Ik beperk me tot drie uitgaven die meer specifiek op blended worship ingaan: het in 1994 voor het eerst uitgegeven Robert E. Webber, Blended worship. Achieving Substance and Relevance in Worship, Peabody 1998; Planning Blended worship. The Creative Mixture of Old & New, Nashville 1998; Ancient-Future Worship. Proclaiming and Enacting God’s Narrative, Grand Rapids 2008. In de laatstgenoemde uitgave spreekt Webber strikt genomen niet over blended worship, maar ligt zijn ontwerp onmiskenbaar in het verlengde van hetgeen hij eerder over blended worship geschreven heeft.

[3] Zie K. Mandryck, ‘The Convergence Movement in Contemporary Worship’, in: Didaskalia 17 (2) (2006), 19-36.

[4] Mandryck, a.w., 21. Zie voor vergelijkbare begrippen als ‘fusion worship’ en ‘synthesis worship’ bijvoorbeeld B.D. Spinks, The Worship Mall. Contemporary responses to contemporary culture, Londen: SPCK 2010, m.n. 1-24.

[5] Webber, Ancient-Future, m.n. 168-175.

[6] Webber, Planning, 22-29. Vgl. Webber, Blended worship, 16-33. Vgl. Webber, Ancient-Future, 67-86.

[7] Zie met name Webber, Planning, 13-17.

[8] Om onduidelijke redenen laat Webber deze ontwikkeling zo goed als achterwege in de drie publicaties die ik heb gebruikt voor dit artikel. Elders spreekt de co-auteur waardering uit voor deze benadering waarmee de theorie achter methodisch blended worship nauw verwant is (vgl. Robert E. Webber en Rodney Clapp, People of the Truth: The Power of the Worshiping Community in the Modern World (Harrisburg, PA, 1988, 132).

[9] Webber, Ancient-Future, passim. De liturgie is ingebed in de geschiedenis als Gods geschiedenis. Webber stelt dat ‘the story of the entire world (…) the story of God’ is (175).

[10] Webber, Ancient-Future, 39v (zonder de cursiveringen in de oorspronkelijke tekst).

[11] Webber, Ancient-Future, 30v.

[12] Webber, Ancient-Future, 40.

[13] Webber, Ancient-Future, 80-85 (citaat: 82). ‘Blended worship’ als kader voor de eredienst

[14] Vgl. Webber, Ancient-Future, 41-55.

[15] Webber, Ancient-Future, 57-66 (citaat van 57, maar zonder de cursivering en de hoofdletters in de oorspronkelijke tekst).

[16] Webber, Ancient-Future, 58.

[17] Webber, Ancient-Future, 60.

[18] Zie m.n. Webber, Ancient-Future, 89-111. Hij werkt dat uit voor het Woord (113-131), de eucharistie (133-148) en het gebed (149-165).

[19] Webber, Ancient-Future, 45.

[20] Webber, Blended worship, 46.

[21] Webber, Blended worship, 34-50.

[22] Webber, Blended worship, 51-67. Vgl. Webber, Blended worship, 169-172. Vgl. ook Webber, Planning, 17-20 (uitgewerkt in het vervolg van dit boek).

[23] Webber, Planning, 50-82. Vgl. Webber, Blended worship, 174.

[24] Dit is de titel van een hoofdstuk dat het samenkomen behandelt (Webber, Planning, 50).

[25] Webbers voorkeur blijkt uit het feit dat de viering van de eucharistie de titel van het hoofdstuk in Webber 1998b bepaalt en ook verreweg de meeste ruimte in beslag neemt (127-171; vgl. de volgende noot). Krachtiger: Webber, Ancient-Future, 133-148.

[26] Webber, Planning, 171-182. Vgl. Webber, Blended worship, 179.

[27] Webber, Blended worship, 115v.

[28] Vgl. M. Barnard, ‘Het vreemde succes van de Liturgische Beweging’, in: Liturgie voorbij de Liturgische Beweging. Over ‘Praise and Worship’, Thomasvieringen, kerkdiensten in migrantenkerken en ritualiteit op het internet (Zoetermeer: Meinema 2006), 33-76, 75. Verder: ‘Bricolage/ Particularity’, in: Marcel Barnard, Johan Cilliers en Cas Wepener, Worship in the Network Culture, Leuven 2014, 117-130, en de daar gegeven literatuur.

[29] K.W. de Jong (red.), Verbindend vieren. Spelen met vormen en stijlen in de eredienst, Zoetermeer 2013. Zie ook: www.eredienstcreatief.nl, geraadpleegd 26 juni 2015.

[30] De kennismaking met het gedachtengoed van Webber vond plaats via het Calvin Institute of Christian Worship en zijn directeur John. D. Witvliet (vgl. ook de publicatie J.D. Witvliet, Worship seeking understanding. Windows into christian practice, Grand Rapids 2003).

[31] G.N. Lammens, Tot zijn gedachtenis. Het commemoratieve aspect van de avondmaalsviering, Kampen 1968; R. Boon, De joodse wortels van de christelijke eredienst, Amsterdam 1970 (zie voor gedenken/gedachtenis m.n. 29-56).

[32] Zie bijvoorbeeld voor narrativiteit De Jong (red.), a.w., 49-64 en 77-91; voor liturgie en cultuur/ kunst, 35-36; voor gedenken, 31-34. Concrete aanzetten voor de praktijk: ‘Muzikaal verhalen’ (92-116), ‘Beamen met verbeelding’ (117-134) en ‘Spelen met drama’ (135-150).

[33] De Jong (red.), a.w., 153v.

[34] Het is tevens een centraal motief in de liturgische beweging (vgl. Barnard, Liturgie), dat overigens ook onder gereformeerden voluit gehonoreerd wordt (een op de gemeente gerichte publicatie als P.J. Vergunst (red.), In de kerk, bij God. Aspecten van de reformatorische eredienst, Heerenveen 2014, wijst daarop).

[35] Publicaties als het eerder aangehaalde Als wij samenkomen (noot 1) beschouw ik niet als liturgiek, maar als beschrijving-met-kanttekeningen van de doorsnee gereformeerd-calvinistische praktijk in ons land.

[36] Ik verwijs naar de publicatie in de Verzamelde Werken: O. Noordmans, Verzamelde Werken VI. De kerk en heel het leven, Kampen 1986, 45-164, 94. Vgl. voor een bespreking van Noordmans’ liturgiek K.W. de Jong, ‘Een hoge inzet. De positie van Noordmans in de discussie Noordmans-Van der Leeuw over de liturgie, geplaatst in historisch en actueel perspectief’, in: Het debat Noordmans-Van der Leeuw, z.p. 2008, 1-25.

[37] Noordmans, a.w., 79.

[38] Noordmans, a.w., 58.

[39] Noordmans, a.w., 85-88.

[40] Webber, Blended worship, 36; Webber, Planning, 20.

[41] De Jong (red.) , Verbindend vieren, m.n. 9-27 en 65-76.

[42] Noordmans, a.w., 86.

[43] G. van der Leeuw in Noordmans, a.w., 175.

[44] Vgl. H. de Vries, ‘Met de tablet naar de kerk’, in: Terdege. Reformatorisch familiemagazine 32 (2014-15), nr. 11 (25 februari 2015), 8-14, m.n. 11.

[45] Vgl. H.W. de Knijff, ‘Woord of mysterie. O. Noordmans’ kritiek op de liturgische opvattingen van G. van der Leeuw’, in: Mededelingen (Prof.dr.G.Van der Leeuw-Stichting) 1967 (1992), 6080-6079, 6078v.

[46] F.G. Immink, Het heilige gebeurt. Praktijk, theologie en traditie van de protestantse kerkdienst, Zoetermeer 2011.

[47] Immink, a.w., 22v.

[48] Immink, a.w., 61-67.

[49] Immink, a.w., 55.

[50] Immink, a.w., 85.

[51] Immink, a.w., 92-95.

[52] Wel spreekt hij over de gedachtenis van Christus in het avondmaal (zie Immink, a.w., 342 voor de plaatsen). Daar vinden we vergelijkbare gedachten.

[53] Immink, a.w., 11.

 

 

 

 

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *