Een performatieve benadering van muziek in de eredienst

dscn2093-1Een van de doelen van liturgie is communicatie met God. Wat is de rol en de functie van het zingen van psalmen en gezangen als onderdeel van de liturgie? Draagt zingen bij in theologisch opzicht, en zo ja, hoe? In dit artikel focust Martin Hoondert op muziek als klank. Tekst is belangrijk maar ook het zingen zelf, als een ritueel, heeft impact op de ervaringen van de aanwezigen. Vanuit een performatieve benadering verkend hij hoe de klank van muziek de aanwezigen samenbind en de ervaring van het moment. Hij stelt dat de muzikale ervaring geïnterpreteerd kan worden als een religieuze ervaring. Muziek is sacramenteel en onvervangbaar in liturgie. (Gepubliceerd en met toestemming overgenomen uit Theologia Reformata 58-4 (2015), www.theologiareformata.nl )

 

Wat gebeurt er in de eredienst als de aanwezigen gezamenlijk, met begeleiding door de organist, een strofenlied of psalm zingen? Meer specifiek: wat gebeurt er met de aanwezigen in relatie tot wat zij op dat moment aan het doen zijn in het kerkgebouw, namelijk het vieren van liturgie? De eredienst of het vieren van liturgie is het voltrekken van een ritueel met het oog op communicatie in zowel de horizontale (sociale) als verticale (theologische) lijn. Staat het zingen van een lied of psalm ten dienste van de communicatie, of is het een (hinderlijke, dan wel welkome) onderbreking?

De kerkelijke eredienst kan vanuit verschillende perspectieven bekeken worden en heeft verschillende doelen. Zo dient de eredienst een sociaal doel: het maakt de gemeenschap zichtbaar en ervaarbaar en faciliteert de ontmoeting van mensen. De eredienst heeft ook een catechetisch doel: het ritueel vormt en voedt de kerkgangers en biedt hun inzichten in het geloof dat zij belijden. De eredienst heeft ook, en ik zou zeggen primair, een theologisch doel: het opent de ruimte voor de ontmoeting van de mens met zijn God. In dit artikel wil ik met name op dit doel of deze functie van de eredienst ingaan.

De liturgist Ad de Keyzer omschrijft de liturgie vanuit het perspectief van de spiritualiteit als een omvormingsproces, een model dat aangereikt wordt en dat mensen kan brengen tot bij God:

Bijeengekomen worden de gelovigen die getekend zijn door vervormingen, omgevormd tot volk van God. Deze vervormingen vragen om hervorming van de attitude, die erin bestaat gelijkvormig te worden aan de middelaar waardoor uiteindelijk de omvorming van het volk in God voltooid wordt in de communio waarin Christus als bemiddelende instantie is opgegaan.[1]

Ik vat dit in mijn eigen woorden (te) kort samen als: de eredienst is de ruimte voor de Godsontmoeting. Is het zingen in de eredienst dienstbaar aan deze Godsontmoeting, of is het opluistering en dus niet wezenlijk voor het theologisch doel van de liturgie? Of anders gezegd: is het zingen van een lied of psalm ten volle een liturgische handeling, zoals het lezen uit de Schrift of het delen van het Brood dat zijn? Aan de hand van deze vraag wil ik niet alleen de performatieve dimensie van het zingen onderzoeken, maar ook de theologische. Het gaat mij om zowel wat muziek ‘doet’ met en aan de kerkgangers, als de inhoudelijk-communicatieve consequenties van dit ‘doen’.

De vraag naar de performatieve, en in het verlengde daarvan theologische dimensie van muziek in de eredienst kan via verschillende ingangen benaderd worden. Een benadering die oude papieren heeft, is de leerstellige benadering die muziek beschouwt als een geschenk van God. Een recent document over muziek in de liturgie, uitgevaardigd door de bisschoppenconferentie van de Verenigde Staten, opent hiermee en beschrijft op bijna poëtische wijze de samenhang tussen zingen, God, eredienst, de mens en de gemeenschap:

God heeft zijn mensen het geschenk van het zingen gegeven. God woont in ieder mens, daar waar de muziek haar bron heeft. Voorwaar, God, de schenker van het zingen, is altijd aanwezig wanneer zijn mensen Hem lof toezingen.[2]

Nadeel van deze leerstellige benadering is dat zij zich vooral in woorden afspeelt. Sluiten de woorden ook aan bij de ervaring van muziek als deel van de eredienst? We kunnen wel zeggen dat God altijd aanwezig is wanneer mensen Hem lof toezingen, maar ervaren we dat ook? En zo ja, wat is dan de grond van of aanleiding tot deze ervaring?

Een andere benadering is de ecclesiologische die het uitgangspunt is voor de Amerikaanse liturgie- en religiewetenschapper Judith Kubicki in haar boek over de muziek van de oecumenische broederschap (communauté) van Taizé (Frankrijk).[3] In Taizé komen wekelijks honderden tot in de zomermaanden zelfs duizenden jongeren bijeen, een steeds wisselende gemeenschap. De gezangen die in de eredienst gebruikt worden, nodigen uit tot meezingen: ze zijn eenvoudig wat betreft melodie, ritmiek en harmonieën, er wordt in diverse talen gezongen en bovenal kan de zang zoals die wordt uitgevoerd door de gemeenschap, ‘versierd’ worden door instrumentale en vocale tegenstemmen. Kubicki benoemt deze wijze van uitvoeren (‘performance’) als symbool:

Singing the chants of Berthier [de belangrijkste componist van de gezangen van Taizé, M.H.], then, can be understood as participating in a symbolizing activity which has the potential to mediate ecclesial identity.[4]

Net als Kubicki wil ik in dit artikel uitgaan van muziek als ‘een manier van doen’, een handeling of performance. Muziek bestaat niet in de gestolde materie van een lied- of psalmenboek, een lied of psalm in de eredienst is ook meer dan tekst. Het zingen in de eredienst is eerst en vooral klank. Een tekst wordt op muzikale wijze voltrokken. Zingen is doen en dat heeft naast cognitieve ook fysieke aspecten. De klank van het zingen doet iets met de aanwezigen. Het is dit ‘iets doen met’ dat ik wil verkennen in dit artikel. Naast het boek van Kubicki laat ik me daarbij inspireren door het werk van de Nieuw-Zeelandse musicoloog Christopher Small (1927-2011) en de performance studies. Small spreekt in zijn werk niet van music, maar gebruikt het werkwoord to music en het participium musicking. Hij ziet muziek niet als ‘ding’, maar als proces, als iets wat gebeurt.[5]

Vanuit een breder perspectief wijst Richard Schechner, die een inspirerend handboek over performance studies schreef, op hetzelfde.[6] Schechner beschrijft in zijn boek Performance Studies. An introduction zeven functies van performances. Zoals gezegd, beschouw ik muziek, in de zin van musicking, als een manier van doen, als een performance. De zeven functies van performances zoals Schechner die opsomt, luiden als volgt: 1. to entertain, 2. to make something that is beautiful, 3. to mark or change identity, 4. to make or foster community, 5. to heal, 6. to teach, persuade, or convince, en 7. to deal with the sacred and/or the demonic. Schechner voegt eraan toe dat voor sommige mensen

one or a few of these [functions] will be more important than others. But the hierarchy changes according to who you are and what you want to get done. Few if any performances accomplish all of these functions, but many performances emphasize more than one.[7]

Sommige functies zullen wellicht vragen oproepen. Is het zingen in de eredienst ook bedoeld om te vermaken (to entertain)? We zijn geneigd het zingen in de eredienst vooral te benaderen vanuit de zesde functie, we zien muziek vooral als een middel tot catechese: een lied kan hernemen wat de voorganger in de prediking al heeft gezegd, of een lied duidt een handeling zoals het delen van brood en wijn. Naast de talige aspecten van de gezongen tekst, is er ook een niet-talige kant van het zingen. Deze niet-talige kant, de klinkende tonen en de klank van de tekst, wordt in de analyse van ritueel en eredienst vaak over het hoofd gezien. In het dagelijks taalgebruik noemen we muziek soms de ‘taal van het hart’ of een ‘universele taal’, maar dit brengt ons onmiddellijk in problemen. Als we muziek aanduiden als taal, dringt zich de vraag op: waar verwijst zij naar? Woorden verwijzen naar iets dat bestaat in de werkelijkheid, maar waar verwijzen de klinkende tonen naar? Nergens naar! Zo lijkt muziek een taal zonder betekenis, terwijl we uit eigen ervaring weten dat muziek heel betekenisvol kan zijn. Ik draai de denkrichting dan ook liever om: muziek is geen taal zonder betekenis, maar betekenis zonder taal.[8] Het gaat bij muziek (in de zin van: klank!) niet zozeer om representatie, maar om presentie: de klank is aanwezig, dringt zich aan ons op. De betekenis die muziek heeft, wordt onmiddellijk gegeven in het ondergaan van de klank. Voor wetenschappers is dat lastig: hoe kan ik de betekenis van muziek beschrijven en analyseren als zij zich onttrekt aan de taal? De zeven functies van de performance die Schechner beschrijft, dagen mij uit verder te kijken dan alleen de catechetische (zesde) functie. Muziek mag ook aangenaam en mooi zijn, vormt de zingende gemeenschap, kan heilzaam zijn en vormt een ‘muzikale ruimte’ waarin de Godsontmoeting kan plaatsvinden. Op deze laatste functie ga ik nu verder in, waarmee ik niet wil zeggen dat de andere functies onbelangrijk zijn. Zoals gezegd, ik beperk mij tot een exploratie van de vraag hoe in en door muziek de Godsontmoeting gestalte kan krijgen.

 

De ervaring van muziek

In de regels hiervoor spreek ik van ‘muzikale ruimte’. Met deze manier van spreken wijs ik niet alleen op muziek als manier van doen (de performatieve benadering), maar ook op muziek als klank die ons omgeeft. Als we samen zingen of luisteren naar muziek, is de klank om ons heen, we zitten als het ware in een ‘klankhuis’. Hoe werkt de klank op ons in, wat doet de klank met ons? We kunnen muziek interpreteren (welke betekenissen draagt zij over, hoe is de verhouding tussen muziek en tekst enz.?), we kunnen ook proberen te achterhalen hoe we muziek beleven. Het onderscheid tussen interpretatie enerzijds en beleving of ervaring anderzijds is cruciaal. Interpretatie is hoofdzakelijk een cognitief proces, beleving is zowel een mentale als fysieke ervaring. Om grip te krijgen op de ervaring van muziek maak ik gebruik van een boek van Kathleen Harmon, onder meer muzikaal leidster van de programma’s van het Institute for Liturgical Ministry in Dayton, Ohio (USA). Zij publiceerde in 2008 een theologie van de liturgische muziek onder de titel: The mystery we celebrate, the song we sing.[9] Zij probeert in haar boek muziek van binnenuit te begrijpen; met behulp van theorieën van diverse auteurs gaat zij in op de werking van muziek. Ik vat haar betoog in vier punten samen. Daarbij wil ik nogmaals benadrukken dat ik, met Harmon, inzet op de klank van muziek, niet op de tekst. Daarmee wil ik niet zeggen dat de tekst onbelangrijk is in de omgang met een lied in de eredienst, maar door het accent te leggen op de klank krijgen we meer oog voor de ervaringsdimensie van muziek.

 

Participatie

Muziek is een vorm van geluid. En geluid, of dat nu muzikale klanken zijn of gewoonweg herrie, manifesteert zich aan ons als ‘aanwezig’. Ook als we de bron van het geluid niet zien, dan nog is het aanwezig, het dringt zich als het ware aan ons op, van alle kanten en onontkoombaar. Geluid wordt geproduceerd door een ‘lichaam’,[10] een voorwerp of persoon met bepaalde kenmerken die tezamen de aard van de klank bepalen; we spreken van het timbre. Het geluid laat dus de innerlijke kwaliteiten van het voorwerp of de persoon horen. Het geluid kan echter pas gehoord worden, als ik als luisteraar mijn innerlijk laat re-soneren, mee-klinken. Horen is participeren aan de innerlijke kwaliteiten van de bron van het geluid. Dit gegeven maakt dat geluid verbindend werkt. Als we gezamenlijk een lied of psalm zingen, dringen we tot elkaar door, in zekere zin is er sprake van intimiteit, een ‘sense of belonging’. Geluid maakt dat je je engageert met de ander en dat je je opgenomen voelt in een groter geheel. Door samen te zingen ervaren mensen dat ze deel zijn van een totaliteit die meer is dan de som der delen. Met andere woorden: de ‘sense of belonging’ die ontstaat door het samen zingen is transpersoonlijk.

 

Dynamische kwaliteit: onmeetbaar maar waar

Muziek bestaat uit klinkende tonen. Deze tonen staan niet op zichzelf, maar vormen een systeem van relaties. De onderlinge relaties geven de afzonderlijke tonen een dynamische kwaliteit, waardoor de tonen voortdurend in beweging zijn, altijd onderweg naar de volgende toon. Een toon wordt een muzikaal feit door deze dynamische kwaliteit. Als wij luisteren naar muziek delen we in deze dynamiek. Daarmee worden we deel van een wereld die verder gaat dan de feitelijke waarneming. Immers, de tonen zijn meetbaar als trillingen van de lucht, de innerlijke dynamiek is niet meetbaar, maar daarmee niet minder waar. Harmon schrijft: “What we learn from musical hearing, is that there is more to the world than what meets the eye.”[11] De muzikale ervaring leert ons dat de materiële en niet-materiële wereld met elkaar samenhangen, ze doordringen elkaar, of beter: het zijn twee aspecten van een en dezelfde wereld. Musiceren maakt de deelnemers aldus gevoelig voor aspecten van de ervaring die niet meetbaar zijn of terug te voeren op rationele beslissingen. Het zijn juist dergelijke niet-empirische fenomenen die ten grondslag liggen aan religieus-ritueel gedrag. Denk bijvoorbeeld aan bidden: het effect van het gebed is vanuit communicatief perspectief niet meetbaar, maar het heeft voor de bidder wel grote betekenis.

De werking van muziek die Harmon hier beschrijft, doet denken aan de manier waarop de hiervoor al genoemde Christopher Small de muzikale performance typeert. Volgens Small ontstaan betekenissen in en door de performance, in het netwerk van allen die betrokken zijn bij de act van ‘to music’. Small werkt dit nader uit door het relatienetwerk nadrukkelijk onderdeel te maken van het proces van betekenisgeving. Ik citeer een passage uit een lezing van hem, uitgesproken op de Universiteit van Melbourne, 6 juni 1995:

The act of musicking brings into existence among those present a set of relationships, and it is in those relationships that the meaning of the act of musicking lies. […] These sets of relationships stand in turn for relationships in the larger world outside the performance space, relationships between person and person, between individual and society, humanity and the natural world and even the supernatural world, as they are imagined to be by those taking part in the performance.

In zijn boek Musicking uit 1998 werkt hij deze gedachtegang nader uit en geeft hij een opmerkelijke, maar spannende toevoeging. De muzikale performance realiseert een netwerk van menselijke relaties, echter niet zozeer de relaties zoals die daadwerkelijk bestaan, maar ideale relaties waarnaar we verlangen. Het betreft hierbij niet alleen relaties tussen mensen onderling, maar ook relaties met ons eigen lichaam, de kosmos en de ons overstijgende wereld. Tijdens een muzikale uitvoering, zoals het zingen van een lied, bereiken de gewenste relaties een virtueel bestaan, zodat de deelnemers deze kunnen ervaren alsof ze daadwerkelijk bestaan. Daarmee krijgt muziek het karakter van een ritueel: er wordt een wereld gecreëerd waarin het “nog niet, maar reeds nu al” (Lucas 17: 20-21) tegelijkertijd waar zijn. Niet alleen worden de ideale relaties tot een virtueel bestaan opgewekt, ze worden ook “explored, affirmed, and celebrated”, aldus Small.[12]

 

Het ‘nu’ van muziek

De dynamische kwaliteit van de tonen geeft ons een nieuwe omgang met de tijd. Muziek speelt zich af in de tijd, maar door de relaties tussen de tonen, de verwachte en gerealiseerde stijgingen en dalingen, ervaren we verleden, heden en toekomst tegelijkertijd. In het ‘nu’ van de muziek horen we de tonen die al geklonken hebben en anticiperen we op de tonen die nog moeten komen. We horen de toon in het relatienetwerk van tonen, maar wat we concreet horen is altijd een ‘nu’ waarin verleden en toekomst meeklinken. Of nog anders gezegd: in het ‘nu’ van de muziek ervaren we de tijd in haar volle breedte. Harmon schrijft: “Musical hearing is (…) presence to and participation in the completeness of time in every present moment.”[13] Deze anamnetische kwaliteit van muziek verbindt haar met het religieuze en met name met de rituele expressie van het religieuze. Veel rituelen immers, bijvoorbeeld de viering van eucharistie of avondmaal, herdenken het verleden in het heden omwille van de toekomst.

 

Centripetaal

De werking van muziek die we ondergaan tijdens het luisteren, de muzikale ervaring, is in zichzelf betekenisvol. Muziek verschilt in dit opzicht radicaal van taal. Woorden verwijzen naar de werkelijkheid, terwijl deze werkelijkheid op geen enkele manier afhankelijk is van het woord. Bij muziek is een dergelijk onderscheid niet te maken: de betekenis van muziek ligt niet in datgene waarnaar zij verwijst, maar in het aanwezig zijn, in het klinken van de tonen. Bij taal is er een onderscheid tussen ‘signifier’ en ‘signified’, muziek oriënteert de luisteraars en zangers op haarzelf, ze heeft een centripetale werking. Hierdoor toont muziek de fundamentele eenheid die schuil gaat onder of achter de diversiteit van onze werkelijkheid. We ervaren dit op intense wijze als we samen zingen: we worden uitgedaagd tot participatie, tot invoegen in de klank en het ‘nu’ van de muziek; we worden partners in het musiceren. Door de gefocuste aandacht worden de barrières tussen de participanten weggenomen. Harmon: “The sense of other as oppositional dissipates as we enter together into a shared new world.”[14] Deze muzikale eenheidservaring is vergelijkbaar met het eschatologisch denken in het christendom, onder meer verwoord in Kolossenzen 3:11: “Dan is er geen sprake meer van Griek of Jood, besnedene of onbesnedene, barbaar, Skyth, slaaf, vrije mens. Maar alles in allen is Christus.” (Willibrordvertaling)

 

Sacramentaliteit

De beschrijving van de werking van muziek, zoals we die aantreffen bij Kathleen Harmon, levert ons kernwoorden op als ‘sense of belonging’, de verbinding van het materiële met het immateriële, anamnese, en de ervaring van eenheid of totaliteit. Deze kernwoorden passen niet alleen bij de ervaring van muziek, maar ook bij wat we met een enigszins technische term aanduiden als sacramentaliteit. Zonder hier een uitvoerige sacramententheologie weer te geven, wil ik toch enkele elementen voor het voetlicht brengen. Bij sacramentaliteit gaat het om aanwezigheid van God in het materiële. De duiding of interpretatie is daarbij van belang. Vanuit een scheppingstheologisch standpunt kunnen we zeggen: de materie is ‘zwanger’ van Gods aanwezigheid, maar het is aan het interpreterend subject om dit als zodanig te duiden en te interpreteren. De ervaring van Gods aanwezigheid gaat dus een stap verder dan het ondergaan of ervaren van de impact van het materiële. Als we dit toepassen op de werking van muziek, zoals ik die hiervoor beschreven heb, dan wordt duidelijk dat de muzikale ervaring een sacramentele ervaring kan worden als het interpreterend subject deze sprong wil en kan maken. De muzikale ervaring en de ervaring van Gods aanwezigheid vallen dan ook niet één op één samen, er is wel sprake van een zekere analogie. De kloof kan, zoals gezegd, alleen door het interpreterend subject overbrugd worden. De ervaring is en blijft primair, maar vraagt een cognitieve ‘brug’ om te komen van ‘ervaring van muziek’ naar ‘ervaring van Gods aanwezigheid in muziek’. In de eredienst dringt die interpretatie zich overigens wel op, de eredienst is immers een betekeniskader waarin het juist gaat om de Godsontmoeting.[15] Alles, of beter: bijna alles, wat er gezegd en gedaan wordt in de eredienst staat in dat licht. De spannende vraag dringt zich op hoe dat gaat met muziek buiten de context van de eredienst. Kunnen we de muzikale ervaring van een symfonie van Beethoven, een strijkkwartet van Haydn of een motet van Orlando di Lasso ook ervaren als een muzikale ruimte waarin de Godsontmoeting plaatsvindt? Kan ook deze muziek, in de context van een concert, als sacramenteel ervaren worden? Mijn antwoord hierop is ‘ja’, maar een degelijke uitwerking van dit antwoord vraagt om een volgend artikel.

 

Ritueel

Met het verkennen van de werking van muziek vanuit de door Schechner genoemde zevende functie (‘to deal with the sacred’) heb ik slechts ten dele recht gedaan aan wat muziek vermag. Ik heb gepoogd uit te leggen hoe muziek het religieuze present kan stellen. Ik heb daarmee via de ingang van de mogelijke sacramentaliteit van muziek ook de vraag beantwoord of muziek een liturgische handeling is. Het antwoord is ‘ja’, maar ik voeg er meteen aan toe dat in een opvatting die liturgie vooral ziet als verkondiging, de eigenheid van muziek als klank hetzij niet goed uit de verf komt, hetzij in de ervaring van de kerkgangers niet of nauwelijks een plek krijgt. Toch ben ik ervan overtuigd dat de klank van het zingen binnen het kader van de eredienst (en wellicht ook daarbuiten) haar werk doet. Of we nu een strofenlied zingen of psalmen op hele noten, de klank van de muziek dringt binnen in ons oor, maakt ons tot gemeenschap, brengt ons in een eeuwig nu en biedt ons een muzikale kennis van Gods aanwezigheid die onvervangbaar is en niet in woorden te vatten. Wellicht dat wij, in een liturgie die zich sterk richt op het Woord, al te veel waarde hechten aan de inhoud van wat gezegd en gezongen wordt. Maar maakt het eigenlijk uit welke Schriftpericoop er vandaag klinkt? Gaat het er niet veeleer om dat de Schrift gelezen en verkondigd wordt? Parallel daaraan kunnen we zeggen: het gaat niet zozeer om wat er gezongen wordt, maar dat er gezongen wordt. Het zingen is primair, de handeling, het ‘doen’, of anders gezegd: zingen is primair een ritueel dat voltrokken wordt, de woorden met hun inhoud komen daarna.

 

Martin Hoondert (* 1967) is universitair docent ‘Muziek, Religie & Ritueel’ aan de Universiteit van Tilburg. In zijn onderzoek houdt hij zich bezig met muziek en de dood: het moderne Requiem als verklanking van visies op de dood, Requiemconcerten, muzikale repertoires bij uitvaartrituelen, muziek en rouw. Daarnaast richt zijn onderzoek zich op rituelen en (muzikale) monumenten in de context van herdenkingen, met name herdenkingen van oorlogen (Eerste en Tweede Wereldoorlog) en genocide (met name Srebrenica). Martin Hoondert is hoofdredacteur van het Gregoriusblad (tijdschrift voor liturgische muziek) en redacteur van Vieren, het Jaarboek voor liturgie-onderzoek en de boekenreeksen Meander en Liturgia Condenda. Tevens is hij dirigent van het liturgiekoor Katharsis (Tilburg).

 

Noten

 

[1] Ad de Keyzer, ‘’Fundamenteel, maar niet essentieel…’ Muziek in rituele context’, in: Martin Hoondert, Anje de Heer en Jan D. van Laar (eds.), Elke muziek heeft haar hemel. De religieuze betekenis van muziek, Budel 2009, 132-158. Hier p. 141.

[2] Martin Hoondert (ed.), Godlof! Maar hoe? Document van de Amerikaanse bisschoppenconferentie over muziek en liturgie. Inleiding, vertaling en suggesties voor de praktijk, Heeswijk 2014. Zie ook hoofdstuk 4 in dit boek waarin Evert Jonker stilstaat bij de theologische perspectieven op het zingen in de liturgie.

[3] Judith Marie Kubicki, Liturgical music as ritual symbol. A case study of Jacques Berthier’s Taizé music, Leuven 1999.

[4] Kubicki, Liturgical music, 179.

[5] Christopher Small, Musicking. The meanings of performing and listening, Middletown, Connecticut 1998.

[6] Richard Schechner, Performance studies. An introduction (second ed.), New York & London 2006.

[7] Schechner, Performance studies, 46.

[8] Marcel Cobussen, Thresholds : rethinking spirituality through music, Aldershot 2008, 132.

[9] Kathleen Harmon, The mystery we celebrate, the song we sing. A theology of liturgical music, Collegeville, Minn. 2008.

[10] David Brown, God and grace of body: sacrament in ordinary, Oxford; New York 2007.

[11] Harmon, The mystery we celebrate, the song we sing, 27.

[12] Small, Musicking, 139-189, citaat op p. 183.

[13] Harmon, The mystery we celebrate, the song we sing, 33.

[14] Harmon, The mystery we celebrate, the song we sing, 39.

[15] Zie ook: Catherine Bell, Ritual: perspectives and dimensions, New York / Oxford 1997, 160-161.

 

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *