Geen ‘worship wars’ maar mixen en verbinden

OpbouwIemand die van cantates van Bach houdt, zal niet veel met Opwekking hebben, zo wordt vaak gezegd en gedacht. Zo niet de musicus en theoloog Kees van Setten, die blijkbaar genoeg muzikale ruimte heeft om tal van muzikale genres en stijlen te beminnen. Als het om muziek in de kerk gaat, denkt hij dan ook meer in termen van ‘en en’ dan ‘of of’. Helemaal in lijn met een tweedaags symposium over ‘verbindend vieren’, dat hij samen met anderen in november organiseert.

Bij Kees van Setten niks geen ‘worship wars’ dus, zoals ze dat in Amerika noemen. De mix zat er bij hem al van jongs af in. Hij genoot van de orgellessen, waarbij hij Mendelssohn, Franck en vooral Bach speelde, maar hij herinnert zich ook als de dag van gisteren het optreden van Merv en Merla Watson. Van Setten: ‘Dat was een soort totaaltheater, waarbij werd gedanst, maar ook prachtig gedeclameerd. Echt een happening, met Joods getinte liederen, waarbij popachtige en klassieke elementen prachtig waren verweven.’ Dat speelde allemaal in het begin van de jaren zeventig, in de tijd dat ook de eerste zogenoemde Opwekkingsliederen gezongen werden. Kees van Setten was een prille student theologie, maar zocht gemeentelijk naar zijn plek. Afkomstig uit een traditionele gereformeerde kerk was hij een tijd betrokken bij een evangelische gemeente. ‘De liederen daar hielpen me om mijn geloof te beleven en te uiten. Bij Bach is de muziek ook zeer verbonden met geloof, maar als je dat speelt, ben je zo met de noten en de muziek bezig (technisch) dat je niet eenvoudigweg je geloof kan bezingen en beleven. En daar was ik wel naar op zoek. Zo hielp die tijd in de evangelische wereld me om al studerend toch dicht bij geloof en gemeente te blijven. En daarin hadden de Opwekkingsliederen een belangrijke plek.’ In de evangelische wereld ontmoette Van Setten ook andere musici die zich op meerdere muzikale velden bewogen, zoals Peter van Essen, die een conservatoriumstudie viool afrondde. Een nieuwe impuls voor Van Setten was de kennismaking met de episcopaalse Church of the Redeemer in Houston. ‘Daar hoorde ik muzikaal onverwachte combinaties van onder meer orgel, percussie en cello. Wat me daarbij trof was de samenwerking tussen de verschillende musici en de afwisseling, en dat helemaal in een sfeer van integratie. Het was soms popachtig en dan weer klassiek en daartussen werd heel stijlvol geschakeld. Je had momenten waarop een hallelujakoor zong en momenten waarop een onvervalste hymne klonk. En dat botste niet.’

Toon en puls 
Gaandeweg ontdekte Kees van Setten wel dat niet overal alles mogelijk is. ‘In een gemeente moet je natuurlijk altijd rekenen met de mogelijkheden en beperkingen van de musici die je tot je beschikking hebt. Al is er voor wie wil ook heel veel muzikale ontwikkeling mogelijk.’ ‘Verder is het gebouw belangrijk’, vervolgt hij. ‘Het maakt nogal wat uit of je in een aula kerkt of in een klassieke, eeuwenoude kerk. In dat laatste geval komen de zogenaamde pulsinstrumenten – zoals piano en drums, waarbij de toon steeds weer moet worden gemaakt – niet goed tot hun recht. Als je zulke instrumenten toch gebruikt in zo’n akoestische ruimte, dan krijgt dat gauw iets onrustigs. Tooninstrumenten, die een toon veel meer kunnen aanhouden – zoals het orgel, een viool of fluit – kunnen in zo’n oude kerk juist wel weer heel goed. Maar gelukkig zijn veel gebouwen geschikt om zowel toonals pulsinstrumenten te gebruiken, en ze dus ook te combineren, zoals ik al lang geleden in Houston meemaakte. De combinatie van orgel en piano kan bijvoorbeeld heel mooi zijn. Daar werk ik in mijn eigen gemeente ook geregeld mee.’ Het is duidelijk Van Settens geliefde terrein. Daarbij heeft hij ook nog wel een paar aanwijzingen voor de begeleiding met een combo of band. ‘Zorg vooral voor afwisseling. Denk niet dat je als instrumentalist altijd in alle liederen mee moet spelen. Doe ook eens even niet mee. En gebruik muzikale dynamiek, niet alles op dezelfde sterkte. Het is bijzonder om te ontdekken hoe mooi dat uitpakt.’

Stretchen
En dan de dienst met zijn lijnen en samenhangen. Kees van Setten probeert steeds weer te denken vanuit de gemeente, waarin de mensen zo verschillen. Dat vraagt volgens hem dus ook om heel verschillende liederen. ‘Je hebt daarbij meerdere mogelijkheden. Je kunt het doen zoals dat in Engeland en Amerika vaak gebeurt. Daar heb je kerken waar ze ’s morgens eerst een dienst in klassieke stijl hebben en daarna één in een meer hedendaagse stijl. In de NGK Houten zie je dat ook: drie, vier diensten per zondag in steeds weer een andere stijl. Dat kan, maar ik vind het nog steeds de moeite waard om te kijken of je die verschillende liederen ook met elkaar kunt verbinden. En dan op zo’n manier dat liederen elkaar gaan versterken en verhelderen. Dat vraagt natuurlijk souplesse van predikanten, musici en gemeente. En dat is niet gemakkelijk. In Amerika zeggen ze dan dat je moet “stretchen”: ruimte maken voor elkaar. Maar dat zit ons protestanten niet echt in het bloed. Katholieken zijn daarin soms soepeler, zo is mijn ervaring.’

Van Setten signaleert dat het creativiteit en overleg vraagt om liederen zo bij elkaar te zoeken dat ze elkaar op een positieve manier beïnvloeden. ‘Dat vraagt van musici de souplesse om ook eens buiten hun eigen muzikale idioom te stappen. Maar ook de predikant is een factor van belang. Vaak hebben predikanten weinig kennis van de muzikale mogelijkheden van liederen en zijn ze niet zo gevoelig voor de niet-verbale kanten van de liturgie. Dat zit ook niet zo sterk in hun opleiding. Je komt dus alleen maar verder door een weg van samenwerking tussen predikanten en musici, om zo theologische en muzikale krachten vruchtbaar te maken voor de dienst. Die samenwerking lijkt me nodig om te komen tot een dienst met uitstraling en met een spanningsboog, een dienst waarin het gesproken en gezongen woord zó tot een eenheid wordt gesmeed dat het een verhaal wordt.’

Rembrandt
Is het dan toch ten diepste iets als ‘voor elk wat wils’, waarbij iedereen ‘aan zijn trekken’ moet komen? Op dat punt is Van Setten heel beslist. ‘Je moet die verschillende liedculturen heel serieus nemen, maar bij het uitdenken van de dienst moet je vóór alles inzetten op de verhalende lijn: wat is je boodschap en hoe ga je dat vertellen met woord, lied en muziek? Met een cafetariamodel raak je dat kwijt. Dan ben je bezig om de behoeftes van de mensen te bevredigen.’ Volgens Van Setten betekent dat ook dat je rustpunten moet creëren in een dienst, momenten waarop de boodschap ook echt binnen kan komen. Dat ontbrak volgens hem te vaak in de traditionele protestantse diensten van vroeger, waarbij bijvoorbeeld een stevige lezing van een bijbelgedeelte gevolgd werd door drie of vier strofische liederen, vaak ook met een behoorlijke tekstdichtheid. Van Setten: ‘Een eerste vraag is natuurlijk of het lukt om tot en met couplet vier je gedachten bij de tekst te houden. En lukt het om met zulke informatiedichte lezingen en liederen ook de snaar van de beleving te raken? Daarvoor heb je denk ik eerder een meditatief lied nodig. Zo krijg je iets wat Rembrandt in het visuele doet: om het licht te laten zien heeft hij veel donker nodig. Iets van dat contrasterende, dat clair-obscur, van rationeel en beleving, beweging en rust, heb je volgens mij ook in een dienst nodig.’

Vergaarbak
Het moet natuurlijk ook nog even over het nieuwe liedboek gaan, waar Van Setten zelf bij betrokken is geweest. ‘Positief vind ik dat het nieuwe liedboek veel breder is dan het Liedboek voor de Kerken. Daar vind je alleen maar strofische liederen. Nu zitten er ook allerlei andere liedvormen in. Veel refreinliederen en allerlei korte zangvormen. Ik vind het wel jammer dat er maar weinig echt nieuwe liederen zijn geschreven. Verreweg de meeste liederen zijn afkomstig uit bestaande bundels. Het nieuwe liedboek heeft dus iets van een vergaarbak, enigermate gerelateerd aan de verschillende bloedgroepen.’

Symposium
De verbinding van alle onderdelen van de liturgie staat centraal in het weekend van 15 en 16 november, tijdens het symposium ‘Over grenzen… verhalend en verbindend vieren’. Van Setten: ‘Daar ligt veel nadruk op dat verhalende en verbindende van woord, lied en muziek. En meer, want ook het element van drama in de liturgie krijgt een plek. Otto de Bruijne heeft daar een belangrijk aandeel in.’
‘Net als tijdens het vorige symposium in maart 2011 is er buitenlandse inbreng, omdat in Amerika en Duitsland al langer geëxperimenteerd wordt met de integratie van muzikale vormen. Naast de lezingen zijn er workshops, waarin ruimte is voor onderlinge uitwisseling en het opdoen van ideeën. Het zullen intensieve dagen worden: niet maar een middag of een dag, maar vijf dagdelen ondergedompeld worden.’ Van Setten geeft aan dat het symposium in de eerste plaats bedoeld is voor predikanten en musici van de gemeente, en voor anderen die inhoudelijk betrokken zijn bij de kerkdiensten, zoals leden van liturgiecommissies of gemeenteleden die geregeld de schriftlezingen verzorgen. Bij de vraag wat kerkenraden op dit punt kunnen doen, heeft Van Setten ook zijn gedachten. ‘Als kerkenraad zou je zeker richting de mensen die vaak pro Deo werken, zoals de musici, een mooi gebaar kunnen maken door als gemeente de kosten voor zo’n symposium te dragen. Daar spreekt waardering uit. En het is een investering: het kost wat, maar het levert veel meer op!’

Bron: Opbouw (juni 2013)


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *