Het icoon van de evangelische beweging

handenLofprijzing, aanbidding en emotiecultuur.

In dit artikel wil Kees van Setten een belangrijk, kleurrijk element van de evangelische liturgie onder de aandacht brengen: de lofprijzing en aanbidding.  Begrippen als ‘beleving’ en ‘emotie’ worden hierbij betrokken. De vraag is of dit adequate begrippen zijn die passen bij wat er gebeurt in de evangelische beweging. (Gepubliceerd en met toestemming overgenomen uit Laetare 30.1. www.tijdschriftlaetare.nl

 

Wat gebeurt er nu precies in een evangelische ‘samenkomst’? Buitenstaanders beoordelen dit uiteenlopend, vaak kritisch. De echte insiders beoordelen niet: er wordt in evangelische kringen nauwelijks over liturgie gereflecteerd. Men beleeft het gewoon. Mijn eigen houding tegenover evangelische spiritualiteit is dubbel. Enerzijds heeft de evangelisch-charismatische vernieuwing veel goeds gebracht, anderzijds spelen vanaf het begin ook alle kritische noten hun partij mee. Die dialectiek is zeker niet onvruchtbaar, maar hier laat ik die kritische kant voor wat het is. Want de ampele vraag is: wat beweegt de evangelikaal?

 

De samenkomstzanggroep

Wie in verschillende kringen thuis is begrijpt wat het verschil is tussen bijvoorbeeld een RK-kerkdienst en een evangelische samenkomst. In het ene geval kom je in een wereld die liturgie heet en die onafhankelijk van jou bestaat. Je kunt je daarin voegen, maar die ook weer verlaten.  In de Oosterse en oriëntaalse orthodoxie is dit nog sterker: de liturgie is er een onafhankelijk feit. In een evangelische gemeente is dat ondenkbaar. Je komt in een ‘samenkomst’ die afhangt van wie er bij elkaar komen. De ontmoeting met elkaar staat centraal en kleurt de (vrije) orde van dienst. Het is ook duidelijk dat men daar wat beleeft. De preek heeft een appellerend karakter en is het beleefde Woord. De academische theologische weerzin tegen ‘ervaringstheologie’ is er afwezig. Die beleving culmineert in lofprijzing en aanbidding die wel een uur kan duren. De uitbundige lofprijzing gaat na een tijd over in verstilde aanbidding. Hoe moet je dit nu, recht doende aan hoe men zichzelf verstaat (een belangrijk sociologisch principe) benoemen?  Iemand uit een meer traditioneel kerkelijke omgeving zal onmiddellijk het woord ‘emotioneel’ laten vallen, soms gevolgd door iets als ‘banaal’. Het eerste is een constatering, het tweede een waardeoordeel. Want in de kerk hoort het er ‘anders’ aan toe te gaan. Dus…niet emotioneel?

 

Belevingscultuur en emotiecultuur?

Nu is het probleem met beleving en emotie dat deze begrippen onder zeer veel gestalten denkbaar zijn.

Er bestaat überhaupt niet zoiets als emotieloze cultuur of liturgie. Bach is net zo emotioneel als Bauer.

De inhoud van de emotie kan (heel) anders zijn. De zichtbaarheid ervan ook. Er worden meer emoties geuit bij André Rieu dan bij een meer academische uitvoering van renaissancemuziek.

In een kerkje in Noord-Groningen blijft een man een uur lang zitten nadat een Bach-cantate is afgelopen. Je ziet het niet, maar de (ongelovige) man is volkomen uit het lood geslagen door de ‘klappen van de muziek’ (naar Heschel). Bij de drie tenoren – Rieu in Brazilië – schieten zichtbaar bij velen de tranen spontaan in de ogen.  In beide gevallen wordt er veel gevoeld. Hoe complex emoties zijn is goed beschreven door Martha Nussbaum (Oplevingen van het denken).

Soms hebben we onze eigen emoties niet eens in beeld. In de psychotherapeutische praktijk van het focussen speelt de gevoelde betekenis van processen in jezelf een rol. Als therapeut help je je cliënt die bewust te worden. Ik moest hieraan denken toen ik eens op een symposium een gesprek had met een organist. Deze moest niets hebben van al dat emotionele gedoe in de liturgie, zoals die simpele liedjes. Nee, het kerklied moest ‘van tegenover ons’ (Barth?) komen en niet op de emotiepoot spelen. Zijn lichaam en mimiek spraken echter boekdelen vol emoties en zijn ogen gingen glanzen toen hij vertelde over zijn pas gerestaureerde orgel. Wereldwijd bezien is deze houding ten opzichte van emotie de uitzondering en het uiten van emoties de regel – ook in de liturgie.

Juist het academisch-ingetogen karakter van onze hoog-liturgische bijeenkomsten valt uit de toon.

Wellicht moest de plicht tot verantwoording maar eens daar gelegd worden.

Belangrijker is dat het plaatsen van evangelische liturgie onder de noemer van ‘emotiecultuur’ problematisch en onvruchtbaar is. Het is een (oppervlakkige) ‘socialisatie-bril’, maar dit doet geen recht aan wat er gebeurt.

Commitment en gelovige betrokkenheid staan namelijk veel meer centraal dan het willen beleven van emoties. Doordat men vaak zelf voor het geloof gekozen heeft, als volwassene is gedoopt, is de graad van betrokkenheid groot. Kern hierin is de beleving van de relatie met Jezus, met God. Geloven is er allereerst vertrouwen. Theologie en reflectie – zaken die een academische en afstandelijke cultuur constitueren – spelen veel minder een rol dan ontmoeting, relatie. Dit verklaart mede waarom het emotionele karakter anders is. Net als een bijeenkomst in een collegezaal wezenlijk anders is dan die van een familie in het Midden-Oosten. Ten diepste hebben evangelikalen moeite met de kerkelijke liturgische patronen vanwege de richting van de emotie, niet zozeer vanwege de al dan niet ontbrekende emotie an sich.  Het is onjuist om op de evangelische liturgie het etiket ‘emotie-cultuur’ te plakken wanneer men dit definieert als ‘willen voelen om het voelen’.

 

Lofprijzing en aanbidding

Dit onderdeel is misschien wel het belangrijkste en meest opvallende in de evangelische liturgie. De lofprijzingsliederen zijn niet alleen kerkmuzikaal bepalend, maar ook theologisch en liturgisch. Het hoogste wat je in de samenkomst kunt doen is God prijzen. Het is feitelijk een ‘sacrament’ in de lijn van de Eucharistie (‘dankzegging’!). Kern is de directe ontmoeting met Jezus, God, binnen een exclusief doxologisch kader. Het pop-karakter en het lichamelijke versterken elkaar daarbij.

Vanuit een meer traditionele liturgie bezien ligt het voor de hand dit met ‘emotiecultuur’ te etiketteren. Maar is iets wat hetzelfde lijkt ook hetzelfde? Ik heb trouwens nooit begrepen waarom de muziek in een kerk ‘anders’ moest zijn dan daarbuiten. Dat kan niet eens, want alles in de kerk vind je ook daarbuiten en alles buiten de kerk vind je daarbinnen. Beweren dat de tonen, melodieën, harmonieën en ritmes ‘anders’ moeten zijn is hetzelfde als vinden dat de kerkbanken in de kerk van een andere houtsoort moeten zijn dan wat je aantreft bij IKEA. Maar wat anders zou moeten zijn is ons geloof en – vooral – onze ethiek (Amos 4).

lofprijsHet onderscheidende van evangelische lofprijzing ligt niet wezenlijk in het emotionele karakter noch in het gebruikte muzikale idioom. Het betreft meer het soort taal van de liederen.  Wij zijn in de kerk gewend aan de taal van de informatie waarin zaken worden benoemd en uitgelegd. Veel (strofische) liederen spreken je verstand en je begripsvermogen aan. Het nieuwe Liedboek staat hier vol mee. Er is nog een tweede soort taal: dat van de motivatie en het appel dat je tegenkomt in de politiek en de reclame. Die descriptieve taal en die van de actie zijn dominant in onze cultuur en liturgie.  Lofprijzing en aanbidding (en het gebed) spreken echter een derde, veel meer primaire taal: die van de relatie en de intimiteit. Ze bestaat uit jubelkreten en fluisteringen, uit gebrabbel en eindeloze herhaling: ‘Ik houd van jou’ en dat 12x. Ze speelt in een cerebrale cultuur geen rol, maar het is nu net de taal waarnaar velen snakken als ze zich willen hechten aan God (en hun echtgenoot..). Het is gebedstaal die uitgaat van een persoonlijke relatie met God. Het vertaalt zich in praisesongs die juist dat karakter hebben. Het wordt duidelijk dat ‘emotie’ hier niet zozeer  de leidende factor is (al speelt die zeker een rol), maar de relationele richting en inhoud van die emotie. Ik kan begeesterd raken als ik een Bachfuga speel, maar ze is volkomen ongeschikt om uiting te geven aan mijn gevoelens voor God in relatie tot God. Je bent veel te druk aan de speeltafel. Voor de luisteraar ligt dat anders, maar het gaat hier niet om luisteren, maar om ‘je verhouden tot’.  We vinden deze primaire taal, naast de andere talen,  terug in de psalmen. Veel psalmtaal realiseert zich in een houding van gebed en ontmoeting met God. Allerlei emotionele uitbarstingen en verzuchtingen spelen een rol. Daarbij gaat het zowel over God (wie Hij is, bijvoorbeeld ‘U bent mijn rots’), als de gevoelens van de aanbidder (‘mijn hart trilt van blijde woorden’).

Dicht hier tegen aan ligt de in evangelisch-charismatische kringen bekende glossolalie, gesproken en gezongen. Naar mijn ervaring in deze kringen is glossolalie niet zozeer een taal waarin descriptief gecommuniceerd wordt (zoals in Hand.2), maar vaker een primaire gebedstaal (verzuchtingen, Rom.8). Vergelijk het met de woordeloze gebedsmelodie van de chassidim: de nigun.  In hun boek over de theologie van de lofprijzing (Jubilate) benoemen de theologen Daniel Hardy en David Ford dit met ‘a sacrament of speech’, uiteindelijk de ‘sabbath of speech’. De taal speelt hier niet zoveel rol meer en is helemaal ondergeschikt geworden aan de concentratie op God. In feite is lofprijzing ‘speechless’. Je spreekt met klanken, meer dan met woorden in de taal van de relatie. Ze heeft een grote bewegingsvrijheid. Hardy en Ford noemen dit de ‘jazz-factor’. Dat alles is dienstig aan de relatie en de hechting.

Technische kwaliteitscriteria

Het wordt zo duidelijk dat het aanleggen van technische kwaliteitscriteria problematisch wordt als je de normen aanhoudt van poëtische beschrijvende taal. Net zomin als je dezelfde criteria kunt toepassen op een dogmatiek en een verzuchting van Teresa van Avila. Zo zijn er talloze liederen van De Vries en Oosterhuis in het nieuwe liedboek terechtgekomen, slechts een paar opwekkingsliederen.

In het nieuwe liedboek is daarmee niet alleen een hele liedcultuur buiten de deur gehouden, maar ook de context waarin deze gestalte krijgt.

De betekenisvelden van deze liedcultuur liggen namelijk  in hun ‘performance’, de context waarin zij plaatsvindt. Een paar steekwoorden: lichamelijkheid, zintuiglijke socialisatie, relatie, andere relatie tussen tekst en muziek, persoonlijke en intiem ervaren relatie met God, (persoonlijke) transformatie, gebedshouding. Deze liederen zijn niet los verkrijgbaar. Wellicht ligt hier de grootste angel voor de outsider: niet in de vermeende ‘kwaliteit’, maar in de achterliggende spiritualiteit.

 

Het icoon van de evangelische beweging

Ik beweeg me nu op gevaarlijk terrein. Vergelijkingen gaan altijd mank. Anderzijds is dit wellicht de enige manier om datgene wat niet zo maar te vatten is te vatten.

Ik denk dat de lofprijzing en aanbidding in de evangelische beweging werken als een icoon. Ze zijn een venster op de eeuwigheid, op God. En net zoals je door het icoon heenkijkt (‘looking through, not at’), zo kijk je door het lied heen naar God. Het relativeert daarmee het lied als doel in zichzelf. Aanbidding is naar haar (bijbelse) aard altijd iconisch. Bij het mediterend of je ‘te binnen’ zingen is de richting anders, dan ‘kauw’ je op de tekst. Bij lofprijzing en aanbidding kijk je – door het lied heen – naar boven met je handen opgeheven.

Sommigen vergelijken de praise-and-worship beweging met de gereformeerde bevindelijkheid. Daar zit wel iets in, maar niet genoeg. In de bevindelijkheid is de beleving sterk gekoppeld aan de rechte leer. Die link is daar veel sterker dan bij de evangelikalen, bovendien is haar inhoud en nestgeur fundamenteel anders.

De overeenkomsten met (aspecten van) de mystiek zijn wellicht groter.

In haar autobiografie verhaalt Teresa van Avila over de verschillende gebedsstadia die zij doorloopt. Wat opvalt is de directe wijze van omgang met God, de verzinking-verkleving, de liefdesmystiek. Een citaat: ‘O helpende God! In welke toestand bevindt zich de ziel die tot hier geraakt is! [d.i. bijv. de toestand waarin David verkeerde toen hij met zijn harp God loofde]  Ze zou heel en al tong willen zijn om de Heer te loven. Ze zegt duizend heilige zottigheden….Ik ken iemand [zijzelf], helemaal niet dichterlijk aangelegd, die terstond en zonder enige tussenkomst van het verstand, haar smart wist uit te drukken in gevoelvolle verzen….Wees voor altijd gezegend, Heer…’ (16,4). Iets dergelijks kun je in een evangelische samenkomst, met andere woorden, ook horen. Interessant is haar opvoeren van de ‘smart’. Vaak wordt te berde gebracht (ook door mijzelf) dat het Opwekkingslied geen oog heeft voor het lijden. Toch heb ik vaak kunnen observeren dat mensen in tranen stonden te lofprijzen en er met de lofprijzing een heleboel verdriet opsteeg. Men kreeg daarvoor in de aanbidding de uitlaadklep aangeboden die zij in de traditionele, rationeel-talige liturgie misten.

Chassidische mystiekemotie

Er zijn ook overeenkomsten met de Chassidische mystiek waar de lichamelijkheid een grote rol speelt in de verering van de Schepper. Gebed wordt er beleefd met enthousiasme, er wordt luid en extatisch gezongen, het lichaam beweegt ritmisch, zingen en zeggen worden gekenmerkt door improvisatie. ’Hun gebed is omgeven door zang en dans, die uitdrukking geven aan de grondidee van de vreugdevolle vereniging met God’ (Waayman). Een andere overeenkomst is het sacraliseren van al het gewone, van alle aspecten van het dagelijks leven. De gedachte dat iets in de kerk ‘anders’ zouden moeten zijn is het Chassidisme vreemd. Jodendom is de heiliging van het gewone leven. In alle toonaarden komt dit terug in de Chassidische verhalen. Op een dag had de Baal Sjem Tov moeite met bidden. In de synagoge zat een man met zijn zwakbegaafde zoontje. Die kon maar één ding: hard op een fluitje blazen. Dat wilde hij ook in de synagoge doen, maar zijn vader riep hem tot de ‘orde’. Plotsklaps – hij kon het niet laten – stond het jongetje op en blies keihard op het fluitje. De vader van slag, maar de BST bad met meer inspiratie door. Desgevraagd zei de BST na afloop: de jongen maakte het makkelijker voor me.

De mystiek bevat natuurlijk nog heel andere aspecten en ook aspecten die haaks staan op de beleving in een evangelische gemeente (het open godsbeeld, de donkere nacht van de ziel bijvoorbeeld).

Tot slot

Ik heb een poging gedaan om wat opmerkingen te maken over de essentie van de evangelische lofprijzing en aanbidding. Betekent dit dat kritische noties opzij geschoven kunnen worden? Nee, die kritiek is vaak waardevol. Deze spiritualiteit echter afschrijven onder de noemer ‘emotiecultuur’ doet geen recht aan wat er gebeurt. Eenzijdigheden en manco’s (een eigenschap van álle liedculturen en bundels!) los je niet op door een liedcultuur te negeren, maar door de waardevolle aspecten te verbinden: blended worship. Zo alleen ontstaat er evenwicht. Het feit dat men over en weer met oordelen klaar staat – de worship wars – dát is pas echte emotiecultuur..

 

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *