Klacht in de liturgie

John Witvliet

De Amerikaanse theoloog en musicus John Witvliet is directeur van het Calvin Institute of Christian Worship in Grand Rapids

Seminar van John Witvliet ship tijdens het Symposium ” Veelkleurig Vieren” van EredienstCreatief, maart 2011.

Wie recente studies van het Bijbelse Psalmenboek leest, komt heel wat bijzondere metaforen tegen die de kracht van het psalmgebed proberen in woorden te vatten. Walter Brueggemann spreekt, in navolging van Paul Ricoeur, van een worsteling om het geestelijk evenwicht te bewaren, een worsteling die vormkrijgt in drie fasen: oriëntatie, desoriëntatie en heroriëntatie. In reactie daarop beschrijft John Goldingay het gebedsleven als een zich voortdurend herhalende cyclus of spiraal van lofprijzing en gebed, gebed en lofprijzing. Wat hier gezegd wordt over de functie van de Psalmen in het geloofsleven, weerspiegelt een diepere opbouw in de teksten van de Bijbelse Psalmen zelf. N.H. Ridderbos, een theoloog van een vorige generatie, bespeurde een ’gouden cyclus’ van lofprijzing en gebed in de Psalmen. Volgens Claus Westerman zijn de Psalmen opgebouwd rondom de ’twee polen van lofprijzing en klacht’.

Wat deze metaforen en analyses gemeen hebben, zijn volgens mij vier essentiële inzichten.

  1. Er is een enorme diversiteit van gevoelens en ervaringen in het gebedsleven. Religieuze ervaring in de joods-christelijk traditie is zo veelvormig als het leven zelf.
  2. Het geloofsleven kent een beweging van lofprijzing naar klacht en weer terug, die wijst op de magnetische trekkracht van een vasthoudend geloof aan de ene kant en een onverbloemde worsteling met de problemen van deze wereld anderzijds.
  3. In dit aardse leven houden deze uiteenlopende geloofsemoties elkaar in evenwicht. Lofprijzing en klacht kunnen niet zonder elkaar, wil lofprijzing – vooral algemene of beschrijvende lofprijzing – niet verworden tot een gezellig tevreden gevoel, en wil de klacht niet worden opgevat als een ontkenning of afwijzing van Gods genade.
  4. Op een diep niveau hangen deze uiteenlopende uitingen met elkaar samen. Lofprijzing en klacht scheuren elkaar niet kapot. Hoe gespannen de verhouding ook is tussen Psalm 88 en 150, ze staan naast elkaar in het Hebreeuwse psalter en in het gebedsleven.

Bruegemann, Patrick D. Miller en anderen hebben terecht betoogd dat deze metaforen en deze opbouw richtinggevend zijn voor het gebedsleven vandaag. Miller zegt dat de beweging van klacht naar lofprijzing en van lofprijzing naar kracht juist aangeeft ’hoe het geloof in relatie tot God in elkaar zit’. Mijn verhaal komt voort uit de overtuiging dat deze inzichten iets te zeggen hebben voor het leven van de kerk zoals dat uitdrukking vindt in de publieke eredienst. Mijn stelling is tweeledig. Onze eredienst moet voortdurend proberen het scala aan emoties te verbreden, om uiting te geven aan – in de woorden van Nicholas Wolterstorff – de trompetten van de blijdschap, de as van de boetedoening en de tranen van de klacht.

We moeten er veel bewuster mee bezig zijn hoe we dit bereiken, en daarbij van de Psalmen zelf leren hoe ons klagen en lofprijzen stem te geven, met precisie en passie. Wat mij betreft moeten we studie maken van lofprijzing en klacht in de Bijbel vooral met het oog op de toepassing in de liturgie. Ik wil daaraan een bijdrage leveren door in te gaan op drie structuren waarbinnen de christelijke eredienst vorm krijgt:

  • de ad hoc-structuur van gebed in tijden van crisis
  • de regelmatige structuur van het kerkelijk jaar
  • de wekelijkse structuur van de zondagse eredienst

Daarbij besteed ik vooral aandacht aan de mogelijkheden om in de liturgie onze klacht voor God te brengen.

De klacht in tijden van crisis

Wat gebeurt er op zondagmorgen in de kerkdienst als net bekend is geworden dat een jong kind in de gemeente ongeneeslijk ziek is geworden? Of dat een tiener al maandenlang last heeft van anorexia, waar een jong gezin aan kapot dreigt te gaan? Of dat een vooraanstaand gemeentelid zijn vrouw of kinderen mishandelt en geen  berouw toont? Of dat bijna 200 mensen zijn omgekomen bij een bomaanslag in Oklahoma City? Of dat een golf van zelfmoordaanslagen de vrede in het Midden-Oosten bedreigt?  Wat gebeurt er in de kerkdienst wanneer de gebruikelijke lofl iederen niets méér zouden zijn dan een opgewekte façade?

Dit soort momenten zijn in pastoraal opzicht cruciaal. En u zou ervan opkijken hoe vaak ze zich voordoen in veel gemeenten. Deze momenten zijn van groter belang voor pastoraal-geestelijke vorming dan een heel pakket aan geloofscursussen. En hoe we ermee omgaan zegt misschien meer over het evangelie dat wij verkondigen dan alle preken van een heel jaar.

U bent het er vast allemaal mee eens dat je in de kerkdienst niet aan zo’n situatie voorbij moet gaan. Er zijn verhalen bijvoorbeeld over een anglicaanse voorganger die na een verwoestende overstroming in de kerk gewoon het Dienstboek volgde zoals altijd. Het gebed van die zondag luidde: ’Drenk de aarde met water, o Heer, op uw tijd.’ Nee, deze situaties vereisen onze fi jngevoelige en oprechte aandacht. Onrecht moet worden aangewezen. Vijanden moeten worden benoemd. Solidariteit met hen die lijden moet worden geuit en – vooral – een diep geloof dat in de eigen ziel durft te kijken.

Maar wat moeten we nu precies doen in zulke gevallen. Hoe kunnen we uiting geven aan onze boosheid, angst, verwarring? Op gevaar af dat het naïef klinkt, wil ik voorstellen de Psalmen zelf als voorbeeld te nemen. Als alle woorden ons besterven in de mond en de emoties door ons hart razen, kunnen we het beste maar niet vertrouwen op ons eigen stamelend spreken, maar op de betrouwbare en diep relevante klachten van de Hebreeuwse schriften. Die strategie verzilvert de meest in het oog springende eigenschappen van het Psalter. De klaagpsalmen zijn waarschijnlijk ad hoc gecomponeerd, voor concrete feestdagen of tijden van crisis. Brueggemann wijst  erop dat de Psalmen voortkomen uit ’situaties van terugval’, uit de ’extremiteiten van het leven en het geloof’ – dezelfde context als gemeenten in nood van vandaag. En de taal van de Psalmen is open en metaforisch, heel geschikt voor toepassing op andere tijden en plaatsen. De Psalmen spreken over concrete situaties, maar niet zo  specifiek dat ze vandaag niet als liturgie (en niet alleen als Schrift) kunnen worden gebruikt. Om al deze redenen kunnen de Psalmen ons heel goed richting wijzen voor lofprijzing en klacht in de liturgie. De diversiteit, beweging, balans en samenhang van het liturgisch gebed als geheel worden het beste gevoed door de Bijbelse Psalmen.

Daarmee bedoel ik niet dat we in zo’n crisissituatie bepaalde aansprekende zinnen of beelden uit de tekst moeten plukken. Al veel te lang volstaan we met onze favoriete of toepasselijke versjes, of misschien erger nog, ’collages van geamputeerde psalmverzen’ in de liturgie, terwijl we totaal voorbijgaan aan de opbouw en de context waarin die verzen aan betekenis winnen (Hugh Oliphant Old). Er zijn de afgelopen decennia lijvige studies aan gewijd, hoe de inhoud en betekenis van individuele psalmen voortkomen uit basisstructuren of patronen van gebed, en specifieker, hoe individuele psalmen improviseren binnen een gegeven structuur. Mijn voorstel is dat we in de kerkdienst werken met de basisvormen die we hebben leren onderscheiden en vervolgens, net als een jazzsolist die een alledaags thema versiert, dat we improviseren binnen de context van de tragedie die ons op dat moment bezighoudt.

Van de Bijbelse klaagpsalmen leren we dus heel basaal hoe we onze klacht kunnen opbouwen. Onze klacht begint met aanroeping: een belijdenis die onszelf verbaast, dat we ook in een crisis een persoonlijke en toegankelijke God aanspreken. We deinzen niet terug voor de spanning die dit meebrengt; in verband met Psalm 22 heeft Patrick Miller die spanning omschreven als ’een bijna ondraaglijk gevoel van tegenstrijdigheid tussen de schreeuw van de ondergang en de aanspraak die keer op keer volhoudt dat de zwijgende, verlatende, verre God ’mijn God’ is’. Onze klacht spreekt deze persoonlijke God vrijelijk aan met de schilderachtige galerij aan beelden die de Psalmen bij de directe aanspraak gebruiken. We bidden tot Jahweh, de rots, de vesting, de schuilplaats, de vogel met beschermende vleugels. Deze metaforen zijn niet zomaar theologische constructies, het zijn middelen om rechtstreeks tot God te spreken. En als we zo bidden, vormen en modelleren die beelden hoe wij ons die God voorstellen. Ze slijpen ons beeld van God met het gereedschap die God onszelf gegeven heeft.

Ons gebed vervolgt met vrijmoedig klagen. We brengen de vraag van het lijden rechtstreeks in het heiligdom. We leren van de Psalmen de waarde van een direct twistgesprek. Onze fl etse, onzekere en indirecte taal (’We zouden U willen vragen: waarom zou dit gebeurd kunnen zijn?’) wordt omgezet in een vrijmoedige en eerlijke aanspraak (’Hoe lang nog, Heer? Zult U mij voor altijd vergeten?’). Zulke eerlijkheid werkt op zijn manier al troostend voor degenen die verdriet hebben, en verwoordt solidariteit met hen die onrecht lijden. Hun vragen en protesten zijn niet onwettig in het gebedsleven. Want gebed kan naast uitroeptekens ook heel goed uit vraagtekens bestaan. Eerlijke aanbidding spreekt net zo goed van onze oprechte twijfel als van zekerheid. De Psalmen leren ons dat het uiten van twijfel een daad van geloof kan zijn, dat we in gebed niet alleen om Gods hulp kunnen smeken, maar ook protest kunnen aantekenen bij God tegen onrecht en het kwaad dat er altijd maar is.

We leren ook van de Psalmen dat klagen in de Bijbel veel vormen kent. Soms richt het zich tegen de vijand, soms tegen God; soms is het persoonlijk en geïsoleerd, soms is het gemeenschappelijk en veelomvattend. Klagen is een reactie op de volle breedte van problemen in de mensenwereld. De Psalmen noemen specifiek eenzaamheid, schaamte, wanhoop, gevaar, lichamelijke gebreken en dood als reden om te klagen. Elk heeft zijn eigen logica en
beeldspraak, en die bieden ons op hun beurt een rijke voorraad aan taal om onze gebeden te verrijken. Ons gebed vervolgt met een specifi eke smeekbede: genees ons, bevrijd ons, red ons. Klagen heeft geen betekenis in en van zichzelf, maar leidt noodzakelijkerwijs tot smeekbede (Westermann). Smeekbeden in de Psalmen sluiten aan bij de klachten die eraan voorafgaan (Miller); dat leert ons te zoeken naar specifieke smeekbeden die passen bij onze klacht. We kunnen zeggen dat onze klacht, onze smeekbede en onze uiteindelijke lof aan God in elkaar passen als hand en handschoen. Het zijn dezelfde eigenschappen van God waarom we Hem prijzen, die we inroepen in tijden van nood.

Ten slotte eindigt ons gebed met het uiten van hoop, van vertrouwen, hoe omfl oerst ook door de situatie waar we in zitten. Klagen is eschatologisch bidden. Het kijkt altijd naar de toekomst. Misschien kunnen we niet lofzingen in tijden van crisis. En toch wordt de lofzang verwacht, ook als de gemeenschap nog zucht om een oplossing van de crisis. Lofprijzing is de voluit verwachte uitkomst zelfs van crisis en wanhoop.
De vormanalyse van de klacht geeft ons zo een model voor het gebed in de liturgie in tijden van crisis. Voorgangers doen er goed aan om erop te letten hoe verbazingwekkend en kunstzinnig de psalmgebeden die structuur vormgeven; om vervolgens diezelfde verbeeldingskracht en rijkdom aan middelen in het gebed in de kerk te brengen. Zowel zorgvuldig uitgeschreven gebeden als vrije gebeden kunnen op die structuur leunen, als prototype of als gids. Het zou voor ons allemaal, ervaren voorgangers of nieuwelingen, goed zijn om onszelf te oefenen met het formuleren van gebeden volgens voorbeelden uit de Bijbel. Samengevat: de Psalmen bieden ons een structuur die ons richting wijst wanneer we in de liturgie het volk van God voorgaan in gebed.

Een nog directere strategie is de Psalmen zélf te bidden. Neem een specifi eke Psalm van desoriëntatie, met zijn extreme en specifi eke taal, met zijn hartstochtelijk beroep op en klacht tegen God, en laat die het gemeenschappelijke gebed vormgeven. Kies een Psalm omdat die ’een oprecht en fi jngevoelig samengaan is van expressie en ervaring’ (Bruegemann). Kies Psalm 69 voor een crisis van schaamte, Psalm 51 voor een crisis van schuld, Psalm 38 of 41 voor een medische crisis, Psalm 88 voor tijden van uiterste wanhoop, Psalm 71 voor de moeiten van het oud worden, Psalm 143 voor situaties van onderdrukking of slachtofferschap. En breng die dan tot leven met verbeeldingskracht en passie.

Je kunt ervoor kiezen om de Psalm gewoon te bidden zoals die is, zonder opsmuk, bewust in een tempo waarin de gemeente kan meekomen in de zeggingskracht van de tekst. Of je kunt improviseren op de psalmtekst: je zegt de woorden van de Psalm, gevolgd door een eigen specifi eke toepassing. Ik geef een voorbeeld van een gemeente waar een situatie van huiselijk geweld speelt. De tekst wisselt tussen Psalm 13, een individuele klacht en een indringend gebed dat voor deze specifi eke situatie is geschreven.

Hoe lang nog, HEER, zult u mij vergeten,
hoe lang nog verbergt u voor mij uw gelaat?
Hoe lang nog wordt mijn ziel gekweld door zorgen
en mijn hart door verdriet overstelpt, dag aan dag?
Hoe lang nog houdt mijn vijand de overhand?

Heer, onze Heer,
we voelen ons vergeten.
Dit geweld verscheurt ons geloof.
Het slachtoffer, onze zuster …., is alleen in haar wanhoop.
Hoelang moet dit nog zo doorgaan?

Zie mij, antwoord mij, HEER, mijn God!
Verlicht mijn ogen, dat ik niet in doodsslaap wegzink.
Laat mijn vijand niet roepen: ’Ik heb hem verslagen’,
mijn belagers niet juichen omdat ik bezwijk.

De dader van dit geweld lijkt te winnen!
Heer, alstublieft, stop hem!
We kunnen het niet aanzien dat deze dwaas,
de vijand van onze zuster, en van ons,
denkt dat hij aan het langste eind trekt.

Ik vertrouw op uw liefde:
mijn hart zal juichen omdat u redding brengt,
ik zal zingen voor de HEER, hij heeft mij geholpen.

We verlangen ernaar uw lof te zingen,
dat onze zuster uw goedheid weer gaat ervaren.
Wat diep van binnen vertrouwen we op uw goedheid. Amen.

Na zo’n gebed zal de gemeente waarschijnlijk Psalm 13 nooit meer hetzelfde lezen. Opeens is het Bijbelse gebed het gebed van de gemeente geworden. En misschien kan het slachtoffer, door Gods genade, voelen dat het Bijbelse geloof, en de God om wie het gaat, niet vijandig is in haar eenzaamheid, maar haar pijn juist tot de zijne  maakt.

In veel crisissituaties zal het te snel gaan om de klacht zo vorm te geven. Een van de problemen van de klacht in de liturgie is juist dat we te snel doorschakelen naar de belofte van de lofzang, het happy end, dat we de rauwe schreeuw van de klacht overstemmen, terwijl daar diepe en smeulende emoties onder schuilgaan. Het lost niet alles op, maar denk er eens over om deze improvisatie op een klaagpsalm uit te breiden zodat die een hele kerkdienst omspant. Neem een vol uur de tijd om een bepaalde klaagpsalm helemaal door te bidden, zoals Psalm 13. Daarmee hebben we dan een begin gemaakt met het proces van bidden op een crisismoment. Maar het is ook nog maar een begin. De theologen die ik eerder aanhaalde wijzen hier op een lacune in de meeste liturgische gebeden. Zij dagen ons uit ons bidden af te meten aan het psalmgebed. Ze roepen op tot evenwicht, beweging en samenhang in ons bidden. De gebeden in de Psalmen beginnen volop met klagen, maar gaan dan, zoals het geloof vereist, over in een verklaring van lofprijs. En onze liturgische gebeden? Zelfs als we als voorgangers zo fijngevoelig zijn om een crisis te erkennen, hoe vaak proberen we dan de kerkgangers in de loop der tijd voor te gaan van desoriëntatie naar heroriëntatie?

We moeten toegeven dat we hen vaak ’achterlaten’ in het klagen, terwijl wij in de dagen en weken daarna maar gauw weer overgaan tot de orde van de dag, tot beschrijvende (algemene) lofprijzing en liederen waarin het ons goed gaat. Of omgekeerd, we blijven met hen in de klacht hangen, week na week bidden we voor een bepaalde crisissituatie, met een gevoel van wanhoop dat voorbijgaat aan de magnetische trek van de hoop op wat komt.

Liturgisch gebed in tijden van crisis kan niet zonder het verwoorden van de klacht. Maar de klacht is slechts één stap op een lange weg naar verklaringen (Psalm 30) en beschrijvingen van onze lof (Psalm 103). Een zorgvuldige voorganger zal een gemeente heel graag langzaam maar zeker vanuit de klacht bij de lof willen brengen, na enige tijd, met die specifi eke crisis in gedachten. Want een specifi eke klacht heeft alleen een plek in een gemeente die ook ruimte heeft voor specifi eke lofprijzing en dankzegging op momenten van ’heroriëntatie’. Als we zo gericht mogen klagen, moeten we ook heel gericht lofzingen, met lofgezangen die spreken van wat God specifiek aan deze biddende gemeente heeft geschonken.

Als je de Psalmen 13, 30 en 146 bij elkaar neemt, heb je de volledige cyclus van het psalmengebed. De lofverklaring waarmee Psalm 13 besluit (vs. 6), loopt naadloos over in de lofverklaring waarmee Psalm 30 opent (vs. 1). En de dank in Psalm 130 voor een specifi ek ingrijpen van God sluit precies aan op de taal van alomvattende lofprijzing in Psalm 146. Deze koppeling biedt suggesties voor een creatieve opbouw van het liturgisch gebed creatief. Ik denk aan drie mogelijkheden:

  • Als we Psalm 13 hebben gebruikt voor een bepaalde crisissituatie, kunnen we misschien kijken wanneer pastoraal gezien de tijd komt (misschien al na een paar dagen of weken, misschien pas maanden of jaren later) om Psalm 30 te bidden als de keerzijde van Psalm 13
  • en dan uiteindelijk Psalm 146 op dezelfde manier, improviseren op de opbouw en het taalgebruik van die psalm.
  • Als we Psalm 30 bidden en daarna Psalm 146, roep dan expliciet Psalm 13 terug in de herinnering als het gebed voor de crisis waar het mee begon. Dit is de sleutel om dan ook in de lofprijzing volkomen integer te blijven.
  • Neem deze opbouw voor het liturgisch gebed als spiegel voor liturgische prediking. Overweeg een prekenserie, misschien onder de titel ’Anatomie van de ziel’ (naar Calvijn), die begint met Psalm 13, daarna Psalm 30 en dan Psalm 146, die desoriëntatie en heroriëntatie, klacht en lofprijzing omvat. Stel je daarbij niet ten doel om in die prekenserie het probleem van het kwaad op te lossen, maar meer om kerkgangers dieper in deze Bijbelse gebeden in te voeren.

Met dit alles wil ik niet zeggen dat iedere Bijbelse klacht even geschikt is om als model te nemen, of dat dit de enige manier van klagen is. Maar deze strategie om ons liturgisch gebed op te bouwen volgens bepaalde Bijbelteksten, en combinaties daarvan, heeft wel een aantal voordelen.

  1. Het biedt een rechtvaardiging om zulke scherpe taal tegen God te gebruiken. Je hoeft dan niet in de dienst zelf omstandig te gaan uitleggen waarom dat mag. Het geeft ons toestemming om te doen wat onze religieuze cultuur ons anders misschien niet toestaat. Richard Baxter zei het meer dan driehonderd jaar geleden al: het is de veiligste weg om in een vaste liturgie alleen maar of zoveel mogelijk woorden en materiaal uit de Schrift te gebruiken. Waarom? ’Omdat iedereen genoegen neemt met de onfeilbare waarheid van de Schrift, en de gepastheid van haar taal, en met die van mensen waarschijnlijk niet.’
  2. Het biedt ook een maatstaf om ons pastoraal instinct te testen. Gestructureerde taal helpt om onze ervaring van wanhoop zowel te verdiepen als te begrenzen (Peter Berger, Bruegemann). In het geval van rouw in een familie bijvoorbeeld kan de kerk hen helpen door taal aan te bieden die hun gevoel van hulpeloosheid erkent, en zelfs nog verdiept. En tegelijk biedt die taal een grens voor die ervaring. Voor mensen die lijden heeft een Bijbels gevormde liturgische klacht drie belangrijke en met elkaar samenhangende dingen te zeggen: hun lijden is reëel, het is niet het laatste woord en het is geestelijk van betekenis – allemaal zonder dat er een theologische verhandeling bij nodig is.
  3. Het biedt ook een stevige structuur van waaruit een oprecht spontaan gebed kan opbloeien. Wij vrijkerkelijke protestanten moeten onze traditie van vrij en spontaan gebed koesteren. Maar wat wij als helemaal spontaan beschouwen, is vaak niets anders dan een aaneenschakeling van mooi geformuleerde clichés. Zonder structuur kun je niet echt improviseren – iedere jazzsolist weet dat. De Psalmen leren ons de waarde van spontaan gebed. Veel Psalmen zijn duidelijk voortgekomen uit een directe ervaring en ze laten schuldgevoel, angst of boosheid de vrije loop. En toch leren ze ook de waarde van vorm. Ook de meest directe en persoonlijke psalmen leunen op beproefde formules en structuren. Improviseren op toepasselijke Psalmen is een van de simpelste manieren om een weloverwogen evenwicht te vinden tussen vrijheid en vorm.
  4. Het geeft integriteit aan onze lofprijzing. Beschrijvende lofprijzing heeft volgens Bruegemann iets ambivalents; hij zegt zelfs dat hij er verdenking tegen koestert totdat het tegendeel blijkt. Als wij God prijzen om alle goede gaven die Hij ons geeft, kan het ook zomaar zijn dat we er vooral op uit zijn om de status quo te handhaven en het geroep van de armen niet willen horen. Maar als beschrijvende lofpsalmen worden gezongen als vervolg op en in het volle besef van Gods hulp in een tijd van crisis, dan krijgen ze een heel nieuwe en krachtige integriteit. Onze lofprijzing brengt thema’s van verlossing en schepping dan heel krachtig bij elkaar. De ervaring van herstel wordt niet een doel in zichzelf, maar een middel waardoor we duidelijker het kosmische, scheppende werk van God in schepping en herschepping kunnen zien.
  5. Deze strategie biedt een manier voor mensen die in een eenzame strijd verwikkeld zijn met een tragedie of met onrecht, om een stem te vinden in een gemeenschap van aanbidders. Klagen is vaak zo ontzettend persoonlijk. Hoe kan een hele gemeenschap zich ooit inleven met de eenzaamheid en persoonlijke strijd van het slachtoffer? Misschien kan dat uiteindelijk ook niet. En toch kan het op deze manier bidden van de Psalmen, ook weer door Gods genade, een slachtoffer misschien gevoel van ongekende solidariteit geven met gelovigen die deze Bijbelse gebeden ook hebben gebeden in eeuwen van pijn en geweld. Dit is een groot voordeel van het doelgericht gebruiken van aloude gebeden. De ’ik-psalmen’ weerspiegelen ook de eenheid van individu en gemeenschap die bij de identiteit van Israël hoort. De eerste persoon enkelvoud erkent het individu dat zich in gebed richt tot God. Maar de uiting van brede nationale sentimenten wijzen erop dat het niet maar op zichzelf staande monologen zijn. Het bidden van de psalmen kan zelfs moderne gelovigen in een individualistische maatschappij een gevoel geven van meedoen met individu en gemeenschap in het lichaam van Christus.
  6. Met deze strategie laten we ons heel direct vormen door de Bijbelteksten. In zo’n gebed worden die teksten als het ware in onze botten gegrift en worden ze deel van onze geestelijke identiteit. Het zijn niet alleen de Psalmgebeden in het algemeen of een algemene theologie van het klagen die ons vormen. Specifi eke teksten, met specifi eke wendingen in een overigens stereotiepe manier van bidden, vormen ons in het geloof. Deze strategie geeft bidders, vooral wanneer ze lijden, Bijbelse ankerpunten voor hun persoonlijke gebed en liturgie. Het geeft ons een plek om een bladwijzer bij te leggen in onze bijbel. Het geeft ons teksten om te onthouden, bij een familiereünie of een herdenking. Dat is een tastbaar geschenk dat een doordachte liturgie aan zowel slachtoffer als gemeente kan meegeven in tijden van crisis.

De klacht in het kerkelijk jaar

Maar er is niet iedere zondag sprake van een crisis. Veel kerkdiensten worden voorbereid en geleid in de normale gang van het leven. Hoe krijgen lofprijzing en klacht een plek in de liturgische routine? Het antwoord op die vraag ligt, denk ik, in de twee grote structuren die de kerkdienst in talloze gemeenten bepalen. Evenwichtige liturgie heeft, net als lofprijzing en klacht in de Psalmen, haar eigen twee polen, of cycli, of gevoel van rust. Als we de overeenkomsten ontdekken hebben deze cycli en die van de Psalmen ons veel te zeggen. Laten we eerst kijken naar het grote patroon van het kerkelijk jaar. Ieder jaar opnieuw gaan we van de eschatologische
klacht van Advent naar de diepe aanbidding van de mensgeworden Christus met Kerst en Epifanie. Van de zelfbeproeving van de Lijdenstijd naar de uitbundige lofprijzing van de Paasmorgen. Op deze jaarlijkse weg vinden we kant-en-klare momenten om stem te geven aan het geroep en de instemming van mensen op ieder punt van hun weg in het geloof. Het kerkelijk jaar biedt niet alleen een afgewogen dieet van Bijbellezingen en theologische onderwerpen, maar ook een afgewogen dieet van de christelijke emoties in het gebedsleven.

Goede Vrijdag

Ik wil twee vieringen in het kerkelijk jaar bekijken die volop aanleiding geven om klagen een plek te geven. Allereerst Goede Vrijdag. De Goede Vrijdagdienst is pastoraal en theologisch een van de grootste uitdagingen die je je kunt denken. Het zou een mooie afstudeereis zijn voor theologiestudenten, dat ze een Goede Vrijdagdienst met theologisch inzicht en pastorale gevoeligheid kunnen voorbereiden en leiden. Vieren we avondmaal of niet? Zijn we blij of in tranen? Hoe verkondigen we op deze dag de gekruisigde én opgestane Christus? Voor velen is het een heel vreemde dag. We hebben het gevoel dat we verdrietig moeten zijn, zonder precies te weten waarom. Onze liturgische aanpak kan dan meestal twee kanten op gaan.

  • Een aanpak is die van een historische reconstructie. We dramatiseren het lijdensverhaal, repeteren de zeven kruiswoorden en plannen een dienst van drie uur in het donker. Een gemeente fabriceerde zelfs een manier om op het negende uur het gordijn te scheuren dat in het koor van hun kerk hing. Deze aanpak volgt het patroon dat de Spaanse non Egeria beschrijft, die eind vierde eeuw Jeruzalem bezocht, om de lijdensweg van Jezus’ stap voor stap, uur na uur te volgen. Er is veel voor te zeggen. Op zijn best fundeert deze aanpak onze liturgie in de historische gebeurtenissen van Jezus’ leven en wordt het anamnese, gedenken, in zijn diepste Hebreeuwse betekenis. En toch is het ook onvolledig. Dit gedenken op zichzelf is nog niet het vieren van de ongelofelijke metafysische betekenis van het kruis, of van de diepe betekenis ervan voor het gebedsleven. Daarvoor hebben we meer nodig.
  • Een tweede liturgische benadering zou je, een beetje cru, het opvoeren van Jezus’ begrafenis kunnen noemen. Zo’n dienst lijkt in alle opzichten op een begrafenisdienst: we zingen klaagliederen, spreken herdenkingswoorden, en zeggen gebeden om het treurige lot van de profeet uit Nazareth te bewenen. Misschien voelen we er niet helemaal iets bij, maar we doen in elk geval wat nodig is om treurig de kerk uit te komen. Deze aanpak kan lijden tot een lijdensmystiek, een overdenken van de wonden van Christus, je geestelijk helemaal laten meenemen in het lijden van Christus. Volgens J. Christiaan Beker zou Paulus het er niet mee eens zijn. Je vindt het terug in de rooms-katholieke devotie voor het heilig hart, en in protestantse gezangen waarin het alleen maar over het bloed van Jezus gaat. Op zichzelf zijn deze uitingen onvolledig. Goede Vrijdag is niet maar een sterfdag. Het is een dag die de dood transformeert. Op Goede Vrijdag leren we dat onze weg naar de dood ook door de Zoon van God is gelopen.

Laten we daarom een andere aanpak overwegen, misschien een uitbreiding van de eerste en een omvorming van de tweede. Deze aanpak ziet Goede Vrijdag als de locus classicus voor de klacht, een dag van gebed in solidariteit met de noodkreten van de wereld – ja, in solidariteit met de lijdende en stervende Heer zelf. Hier kunnen we iets leren van vroege liturgische tradities. Vóór de Reformatie was Goede Vrijdag eeuwenlang de dag van het langste en meest intense voorbedengebed in het hele jaar. Toen de middeleeuwse Roomse Kerk de mis inkortte door in het algemene voorbedengebed te snoeien, zorgden – waarschijnlijk zeer conservatieve – liturgen dat het lange gebed voor deze dag van het jaar behouden bleef. Hun instinct heeft ons veel te leren.

Een deel van wat we op Goede Vrijdag vieren – en dat woord is cruciaal – is dat Christus zich volledig met ons vereenzelvigd heeft in het lijden, zelfs tot in de dood (Jes. 53:12, Hebr. 4:14-16). Op Goede Vrijdag horen we Christus opnieuw de klacht van Psalm 22 bidden en opeens bedenken we weer hoe wonderlijk het is dat wij een Voorbidder hebben die kan meeleven met onze zwakheden (Hebr. 4:14-16, 5:7-9). Op Goede Vrijdag horen we Jezus bidden voor zijn vijanden, een heel nieuwe functie van de klacht in het geloofsleven. Op Goede Vrijdag denken we aan de woorden van Paulus die een mysterie van betekenis leggen over het lijden van hen die met Christus verenigd zijn in de dood (Kol. 1:24, 2 Kor. 1:5, 4:10, Filipp. 3:10; ook 1 Petr. 4:12-16). Op Goede Vrijdag vooral voelen we hoezeer Christus een van ons is geworden – zijn plaatsvervangende menselijkheid die ons gebed en onze liturgie mogelijk maakt. Wat is een beter moment om voor God te komen in solidariteit met hen die lijden, ook met Jezus zelf?

We kunnen voor dit doel het complete voorbedengebed uit de traditie voor Goede Vrijdag gebruiken. Of misschien is dit de dag waarop Psalm 88, de donkerste van alle Psalmen, in de liturgie een plek kan krijgen. Of nog beter, geef het liturigsch gebed op Goede Vrijdag vorm aan de hand van Psalm 22, hetzelfde gebed dat de evangelieschrijvers Jezus op de lippen leggen aan het kruis. Begin de voorbeden op Goede Vrijdag met Psalm 22:1-21,
gevolgd door vrije gebeden van voorbede en klacht. Besluit vervolgens met vers 22-31, een beslissend lied van hoop dat vooruitkijkt naar de lofzang van Pasen.

Over de klaagpsalmen zei Dietrich Bonhoeffer eens: ’Niemand kan persoonlijk de klaagpsalmen vanuit zijn eigen ervaring herhalen; het is de pijn van de hele christelijke gemeenschap van alle tijden, zoals alleen Jezus Christus die geheel alleen heeft ervaren, die hier wordt ontvouwd.’Dit liturgische voorstel voor Goede Vrijdag neemt Bonhoeffers woorden serieus. Het daagt ons uit om de klacht voor God te brengen met Christus als ankerpunt van ons gebedsleven. Als klagen iets nieuws is in de liturgie van uw kerk, begin er dan mee op Goede Vrijdag.

Advent

Als tweede Advent, de tijd van verwachting en hoop. Eschatologie is een van de hoofdthema’s van de theologie in de twintigste eeuw. De Holocaust en twee wereldoorlogen lokken uit tot apocalyptisch en eschatologisch denken. Een vrucht van deze belangstelling is een nieuwe waardering voor gebed en eredienst in hun gerichtheid op de toekomst. ’Alle smeekbeden en voorbeden zijn onderdeel van een eschatologische dimensie van alle lofprijzing en dankzegging … bidden voor de wereld is impliciet een gebed dat Gods heerschappij over de hele wereld zal komen.’ (Don Saliers) Theologisch weten we hoe belangrijk de toekomstverwachting is. Maar kunnen we dat visioen ook vormgeven in de liturgie? Kan eschatologie, vooral de eschatologische klacht, een stempel drukken op de spiritualiteit in de christelijke gemeenschap? Zelfs als het gebruik van zeslettergrepige woorden niet toegestaan is?

Hier is het voorgaan in de liturgische gebeden cruciaal. Door eschatologisch te bidden, en aan de kerkgangers duidelijk te maken hoe en waarom we dat doen, beginnen we iets van een eschatologische spiritualiteit aan te kweken. Laten we eens kijken naar twee benaderingen voor Advent.

  1. Gebruik de Psalmen die een eschatologische klacht en verlangen uitdrukken. Psalm 80 is een traditionele adventspsalm: ’God, keer ons lot ten goede, toon uw lichtend gelaat en wij zijn gered.’ Het motief van de wijnstok komt later in veel teksten over Christus en de christelijke toekomst terug. Advent krijgt de meeste betekenis wanneer we de overeenkomst zien tussen Israëls hoop en die van ons: net als Israël zien wij uit naar de komst van de Messias, de volledige doorbraak van zijn koninkrijk.
  2. We moeten bidden met een oog op de toekomst, om intense hoop en een intens verlangen te uiten en op te roepen. Dit gebeurt op twee manieren. Het gebeurt door te spreken van hoop in situaties van wanhoop; we bidden ’O kom, o kom, Immanuël’, in het volle besef van de ellende en de tyrannie, de nacht van nood en dood. Dit is een eschatologisch smeekgebed. En het gebeurt door in het gebed te wijzen op daden van gerechtigheid, integriteit en vrede, als tekenen van het komende koninkrijk, en als tekenen van Gods koninkrijk in deze wereld. Dit zou je eschatologische lofprijzing kunnen noemen.

Beide behoeven niet tot Advent beperkt te blijven, maar Advent is wel de tijd voor extra aandacht voor de toekomstgerichtheid van smeekbede en lofprijzing. Stel u de volgende korte inleiding voor op de voorbede tijdens Advent: ’Vandaag willen we in ons gebed danken voor de geboorte van een kind bij de familie Smith, we bidden om genezing voor Jill, voor Larry, voor Michelle. En vandaag in het bijzonder, het is Advent, is ons gebed gericht op de toekomst. Omdat wij in het adventsevangelie geloven, bevatten ons gebeden vandaag twee sleutelwoorden (en tegen de kinderen zou ik zeggen: let maar eens op of je ze hoort) – die woorden zijn ’hoop’ en ’belofte’.”

Om het af te maken kunt u scholieren vragen om adventsgebeden te schrijven helemaal in de toekomstige tijd; u kunt in het kerkblad expliciet toekomstgerichte klachtgebeden zetten voor persoonlijk en gezinsgebruik; u zou kunnen afspreken dat iedere samenkomst in de kerk tijdens Advent en Kerst begint met het zacht zingen van ’O kom, o kom, Immanuël’.
Deze momenten in het kerkelijk jaar krijgen, net als afzonderlijke Psalmen, een nieuwe betekenis als we ze zien tegen de achtergrond van de hele gebedscyclus van de Bijbel. Net als na een hartstochtelijke klacht in de Psalmen de lofprijzing loskomt ná een tijd van crisis, zo leidt ernstig en volhardend klagen en smeken op Goede Vrijdag en tijdens Advent tot een onmeetbare verdieping van onze lofprijzing op Kerstdag en Pasen. Beschrijvende
lofpsalmen los van de klacht kunnen iets glads krijgen; zo kunnen Kerst en Pasen ook iets zoetigs krijgen zonder de voorafgaande weg door Advent en Lijdenstijd. De beste manier om op Paasmorgen uitbundig en onbegrensd te kunnen lofzingen, is om helemaal door het lijden heen te gaan op Goede Vrijdag. Hetzelfde geldt voor Kerst en Advent – en voor klacht en lofprijzing. Als we maar één deel van die cyclus bidden, in het kerkelijk jaar of in
de Psalmen, is dat een teken van een lauwe spiritualiteit.

De klacht in de gewone zondagse dienst

Het kerkelijk jaar is één groot bouwwerk dat voeding geeft aan de volle breedte van emoties in het liturgisch gebed. Maar het is niet het enige bouwwerk dat onze liturgie vormgeeft. Denk ook aan het klassieke patroon van de zondagse kerkdienst. Als geheel genomen heeft de zondagochtendliturgie, net als het Psalter, een breedte in emotie en beweging. In de loop van een goed opgebouwde zondagse dienst prijzen, klagen, danken we en doen we voorbede. Teruggebracht tot z’n meest basale vorm: we komen met dankbaarheid bij elkaar, verschijnen voor God in nederige onderwerping, dragen onbegrensde lofprijzing op, horen het Woord met dankzegging, antwoorden met een belijdenis, dragen voorbede op, delen de maaltijd van onze deelname in de werken van God in Christus, en gaan naar huis met toewijding en belofte. Binnen dit patroon zijn er expressies van smeken en lofprijzen, desoriëntatie en heroriëntatie, die moeten worden opgemerkt en meer accent moeten krijgen.

Opening

We bekijken twee sleutelmomenten in deze opbouw van de eredienst. We beginnen aan het begin. Zoals bij elk evenement is de opening in allerlei opzichten heel bepalend: daar wordt vastgesteld wie er voorgaat en wie volgt, en wat over het geheel genomen de strekking, sfeer en doelstelling van het evenement gaat worden. De opening bepaalt of onze samenkomst begint bij ’oriëntatie’ of bij ’desoriëntatie’. Begint de dienst met een verklaring dat het ons goed gaat, of met een erkenning van ons lijden? Met lofprijzing of smeekgebed? Ongetwijfeld geeft de Sitz im Leben van de gemeenschap een heel natuurlijk antwoord op die vragen. Een gemeente in een welvarende buitenwijk in Noord-Amerika zal de dienst heel anders beginnen dan een gemeente in een door oorlog verscheurde enclave in Bosnië. De hele doelstelling en betekenis van de samenkomst wordt bepaald door de directe sociale context van de gemeenschap. Maar moet die context álles bepalen? Moet een welvarende stadskerk gewoon maar haar liederen van oriëntatie blijven herhalen? Hier kunnen we iets leren van de vorm van klassieke christelijke liturgieën in Oost en West. Die beginnen met twee gebeden die de toon zetten: Kyrie eleison en Gloria in excelsis Deo, klacht en lofprijzing, desoriëntatie en heroriëntatie.

Het Kyrie is echt een klaagzang (hoewel er soms een schuldbelijdenis van is gemaakt). Het is een smeekgebed om erbarmen. In de latere middeleeuwen werd het Kyrie geïmproviseerd, met uitgebreide melismen die deze heel simpele roep om hulp uitrekten en soms wel heel veel accent gaven. Het Gloria, zouden we met een term van nu kunnen zeggen, is een blending van belijdende en beschrijvende lofprijzing. Belijdend gebruikt het alle bekende woorden waarmee we God prijzen; beschrijvend koppelt het die aan concrete gebeurtenissen in de geschiedenis.

Dat deze twee gebeden bij elkaar staan bij de opening van de dienst, heeft zowel pastoraal als theologsich betekenis. Theologisch houdt het de eschatologische spanning vast van het ’nu reeds’ en het ’nog niet’, en helpt het om de verleiding van enerzijds triomfalisme en anderzijds wanhoop te vermijden. Het vermijdt ook het simpelweg herhalen van algemene beschrijvende lofprijzing van God, vanuit een gevoel van Gods specifieke scheppende en verlossende daden in de geschiedenis. Pastoraal bieden deze beide gebeden de ruimte aan kerkgangers om vanuit heel verschillende punten in het geloofsleven de dienst binnen te komen. Elke zondagochtendsamenkomst omvat mensen van lofprijzing en van klagen: mensen die ernaar verlangen hun stilte en pijn stem te geven, en mensen die voor hun blijdschap weerklank zoeken in de gemeenschap. Vol van verdriet of van vreugde, uitgeput of vol levenskracht – alle kerkgangers vinden ergens in het spectrum tussen Kyrie en Gloria een punt waarbij ze kunnen aansluiten.

Hoe doen we dit vandaag? Wat voor liturgische middelen zijn er voor gemeenten waarvoor Kyrie en Gloria een vreemde liturgische taal zijn? Drie suggesties:

  • De opbouw. Geef zowel klacht als lofprijzing een plek in het patroon van de opening van de zondagse dienst. Dat kan zoals in de klassieke liturgie van Oost en West het Kyrie eleison en het Gloria in excelsis zijn; of, zoals bij Calvijn, een gebed van verootmoediging gevolgd door lofpsalmen; of het kan beginnen met rustige, informele liederen waarmee we samenkomen en ons verootmoedigen, en daarna plechtige lofl iederen – hoe dan ook, door beide naast elkaar te zetten verankeren we de dienst zowel in de echte wereld als in het komende koninkrijk.
  • De sfeer. Voorgangers, aanbiddingsleiders, doe bij elke introductie en overgang moeite om je te vereenzelvigen met zowel ’gedesoriënteerde’ als ’georiënteerde’ kerkgangers. Vandaag is de grootste vijand hiervan misschien wel het ritueel van de wekelijkse grappigheid waarmee een dienst vaak begint. We lenen voor de samenkomst vaak de patronen van zelfhulpgroepen en komische praatshows op tv. We voelen een drang om te beginnen met zinspelingen op het weer of met een fi jn grapje om de lachers op onze hand te krijgen. Maar door zo graag informeel te willen zijn, missen we de kans dat de opening van de dienst aansluit bij de kerkgangers en hun diepste angsten en verlangens.
  • De teksten. Als we een evenwicht van lofprijzing en klacht zoeken, verdient het aanbeveling de Psalmen te gebruiken (die keuze maakt bijvoorbeeld het dienstboek van de Eglise Reformée in Frankrijk uit 1955). Heel bruikbaar zijn bijvoorbeeld belijdende lofl iederen die tegelijk uitdrukking geven aan een gevoel van totale onafhankelijkheid van God, de herinnering aan momenten van verdriet en klacht, en een besef van recent ingrijpen van God. Kies een specifi eke belijdende psalm, kondig die aan met een specifieke verwijzing naar een gebeurtenis uit het gemeenteleven en zing hem dan vol passie.

De voorbeden

Naast de opening zijn ook de voorbeden een cruciaal moment voor de klacht in de liturgie. De voorbede volgt in de klassieke christelijke liturgie op en is een antwoord op de verkondiging van het Woord. Op het eerste gezicht is de klacht hierbij helemaal niet in het spel. In de voorbeden vragen we meestal een heleboel: genezing, wijsheid, materiële zegeningen, geestelijke groei enz. Maar een klacht lijken ze niet uit te drukken. Ik zou willen zeggen dat dit een misvorming van de voorbeden is. In het Nieuwe Testament, en in de geschiedenis van de liturgie daarna, zijn de voorbeden ten diepste gebeden voor anderen, in solidariteit met degenen die lijden. Een theologie van het kruis lijdt als vanzelf tot een houding die op anderen is gericht. In het midden van de biddende gemeenschap, die bijeenkomt met de verzekering van Christus’ aanwezigheid, is het fundamentele gebed niet alleen ’Hoe lang, o Heer? Zult u mij voor altijd vergeten?’, maar ook ’Hoe lang, o Heer? Zult u hen voor altijd vergeten?’

Dit inzicht leidt ertoe dat de praktijk van onze voorbeden op een aantal punten kan worden aangescherpt. Karl Barth heeft gezegd dat de voorbede van de kerk ’een zo breed mogelijke blik’ moet hebben. Bisschop Fructuosus van Tarragone (?-259) zei: ’Ik wil de hele Katholieke Kerk gedenken van zonsopgang tot zonsondergang.’ Ook hier heeft de geschiedenis ons veel te leren. Klassieke liturgische teksten uit Oost en West bevatten
een regulier patroon voor voorbeden waarbij voorgangers iedere week voor een breed scala aan onderwerpen moesten bidden: de plaatselijke kerk, de wereldkerk, politieke leiders, de verdrukten, de zieken enz. Iedere week gingen de voorbeden de hele lijst bij langs, ongeacht hoelang de dienst al duurde. Zulke patronen, die ook vandaag breed voorhanden zijn, behoeven geen keurslijf te zijn dat onze gebeden insnoert, maar meer een model
dat ons uitdaagt om te groeien in bidden voor anderen. Dit onderdeel van de wekelijkse eredienst is niet iets om op te bezuinigen.

Dit inzicht daagt ons ook uit om te zorgen dat ons liturgisch gebed één geheel vormt met ons leven in deze wereld. ’We kunnen de psalmen alleen maar typeren en begrijpen als onderdeel van de liturgie wanneer we de liturgie zien als het middelpunt van het gemeenschappelijke leven van het volk … Het gebed in de publieke eredienst zou zijn kracht verliezen zonder deze ervaringen buiten het heiligdom: zulk gebed krijgt alleen leven door de beweging van buiten naar binnen, en terug, weer naar het dagelijks leven’ (Westermann). Elke keer als we een krant lezen of naar het journaal kijken, bereiden we ons voor op het gebed in de liturgie. En elke keer als we bidden in de liturgie, bereiden we ons erop voor om de krant te lezen en het journaal te kijken. Ik pleit voor een ’voorbedenspiritualiteit’, die erop uit is om van iedere dimensie in ons leven in de wereld een gebedspunt voor de liturgie te maken. Je kunt bijvoorbeeld de voorbeden inleiden met door heel simpel, heel feitelijk een aantal krantenkoppen van de afgelopen week voor te lezen, om de aandacht te richten op de priesterlijke rol van de kerk voor de wereld. Zoals in het volgende voorbeeld van een voorbedengebed voor twee voorgangers (de actualiteit is die van maart 2011):

(Inleiding)
Onze gebeden bestaan vandaag uit drie delen:
we bidden voor de noden van ons land en van de wereld,
voor onze eigen plaatselijke gemeenschap,
voor de gebrokenheid van individuele mensen.
Om onze gebeden concreet te maken, wordt elke gebed voorafgegaan door enkele krantenkoppen van de afgelopen week.

(1) We bidden nu voor de gebrokenheid van ons land en onze wereld.

  • Onrust in Egypte houdt aan
  • Dodental aanslagen Zuid-Afrika stijgt naar 25
  • Politie ontdekt bende visumfraude
  • Weer twee arrestaties na dood toerist

(2) Machtige, genadige God,
Wij brengen voor U onze klacht
over de gebrokenheid van onze wereld
een wereld vol oorlogen
vol ziekte
vol wantrouwen
vol geweld.
U hebt ons beloofd dat U bij ons zou zijn.
Gebruik uw macht, Heer, om de wereld te helen.
(gebedsstilte)

(1) Wij bidden nu voor de gebrokenheid van onze plaatselijke gemeenschap.

  • Inbraak vandalen in basisschool
  • Verdachte in prostitutiezaak gaat vrijuit
  • Steekpartij: 1 ernstig gewonde, 1 arrestatie

(2) Heer, onze God, vol van genade,
Ook onze gemeenschap is gebroken.
De instituties die ons bijeenhouden, lijken te verbrokkelen.
De rust van ons leven wordt vaak verstoord door angst.
U hebt ons beloofd dat U bij ons zou zijn.
Gebruik uw macht, Heer, om onze gemeenschap te helen.
(gebedsstilte)

(1) We bidden nu voor persoonlijke, individuele nood en gebrokenheid.

  • Eenzaamheid doodsoorzaak nummer 1 in VS
  • Weer twee aanklachten voor seksediscriminatie
  • Vorig jaar meer gevallen van kindermisbruik
  • Onvrede groot onder arbeiders fabriek

(2) Liefhebbende God,
Zoveel mensenlevens zijn gebroken en vol pijn,
achtervolgd door herinneringen aan falen, schuld, misbruik,
vastgeraakt in een sleur van verveling en eenzaamheid,
zoekend naar zingeving en geluk.
Wij bidden om uw troostende aanwezigheid,
voor uw kracht om te genezen en te vergeven.
Werk met kracht in uw wereld, zo bidden wij.
(gebedsstilte)
Door Jezus Christus, onze Heer. Amen.

(Verzekering)
(1) Jezus zei: Kom tot mij, allen die vermoeid en belast zijt
en Ik zal u rust geven.
Neem mijn juk op u en leer van Mij,
Want Ik ben zachtmoedig en nederig van hart
en u zult rust vinden voor uw zielen.

(2) Vrienden in Christus,
Jezus is voor ons gestorven en opgestaan in glorie.
Zijn woorden staan vast. In Hem vinden we leven en rust voor onze ziel.

Als aanvulling nog de volgende suggesties:

  • Neem in de voorbeden gezangen en liederen op die een specifi eke klacht verwoorden waar de schepping om zucht: vervuiling van het milieu, natuurrampen, oorlog, huiselijk geweld e.a.
  • Geef in de schriftlezing en de prediking speciaal aandacht aan zorgen en problemen die bij dit gebed worden genoemd.
  • Neem in de voorbeden elke week één gebed op van christenen die in een ander land wonen.
  • Bid in de voorbeden specifi ek voor twee of drie gemeenteleden, hun roeping en de dilemma’s waarvoor zij komen te staan; wissel dit zo af dat in de loop der tijd alle leden van de plaatselijke gemeente aan bod komen.

Om kort te gaan – steek er energie in om van de gebeden van het volk een van de ’hoogtepunten’ van de zondagse kerkdienst te maken.

Een van de grote winstpunten van het verrijken van de voorbeden na de dienst van het Woord, is het effect dat dit heeft op de viering van het avondmaal. Ook hier is het beeld van een cyclus of een spiraal van betekenis. Bij het avondmaal bidden we het grote gebed van dankzegging, dat zoiets is als een heldendicht dat Gods daden in de geschiedenis opnoemt. Net als in onze Psalmcyclus, waar de beschrijvende lof integer is als die volgt na de klacht en na belijdende lof, zo krijgt ook de dankzegging een diepere betekenis wanneer het volgt op intense voorbeden en klachten. Ervaren voorgangers kunnen zelfs de vrijheid nemen om bij de opsomming van Gods grote daden in het avondmaalsgebed, ook specifi eke gaven te noemen die God aan de plaatselijke gemeente heeft gegeven, die aansluiten bij de voorbeden die zojuist zijn gedaan. Misschien klinkt het als een abstract idee voor liturgische fi jnproevers, maar ik ben ervan overtuigd dat het waar is: als de voorbede een diepe betekenis heeft, verandert dat de hele manier waarop de kerkdienst wordt beleefd.

Samenvatting

Samengevat: een goed gevierde christelijke liturgie heeft dezelfde eigenschappen als het boek der Psalmen. Ze geeft uiting aan een scala van emoties. Ze gaat de gemeente voor in een beweging naar die per lofprijzen en klagen – meegenomen door zowel de dagelijkse vreugde en pijn van de kerkgangers als het verbijsterende goede nieuws van het evangelie. Ze weigert de spanning tussen lofprijzing en klacht te ontkennen door simpelweg een
van beide op te geven. Ze weigert ook door deze spanning uiteen te worden gescheurd.

Zo’n liturgie is mogelijk door zorgvuldig aandacht te geven aan de structuren die de christelijke liturgie vormgeven, en die ook te vinden zijn in de Psalmen. De opbouw van klacht en lofprijzing in tijden van crisis, en de cyclische structuur van onze jaarlijkse en wekelijkse eredienst, zijn de voornaamste middelen waarmee de gebeden van oriëntatie, desoriëntatie en heroriëntatie worden uitgedrukt. Op hun best kunnen deze structuren het gemeenschappelijke gebedsleven van de kerk tegelijk verrijken, corrigeren en evenwicht geven.

Concluderend: het belang om van het Bijbelse gebed te leren voor onze liturgie, kan niet sterk genoeg worden benadrukt. Liturgie is cruciaal voor geestelijke vorming. Het oefent ons in de grammatica van geloof, hoop en liefde. Dit is zeker in onze tijd belangrijk. De voornaamste invloed op onze diensten vandaag is dat ze relevant moeten zijn voor postmoderne, door de media verwende mensen. Onze liturgische keuzes beginnen vaak met marktonderzoek. Maar dat vertelt ons vaak wat we zelf al hadden geraden. Wij zijn kerk in een gebroken wereld.

Zelfs in een welvarende westerse woonwijk is niet alles zoals het moet zijn. En of u een babyboomer bent of jonger, niets is zo relevant als op zondagochtend naar de kerk gaan en tussen een gemeente gaan zitten die precies de noden wil benoemen waarmee u daar nou juist binnenkomt, en ervoor wil bidden. Het is veelzeggend dat voorstanders van zowel traditionele als eigentijdse liturgie de laatste tijd betogen dat kerken hun rol als priester voor deze wereld serieuzer moeten nemen in hun gebed. Van liturgiehervormers én Bijbelwetenschappers horen we pleidooien voor een bewust gebedsleven in onze liturgie. Dat wijst erop dat de kerk vandaag voor belangrijke kansen staat. Dat Gods Geest de gesprekken tussen hen mag zegenen zodat de kerk mag groeien in de diepgang van haar Bijbels geloof.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *