Knutselen en polderen op de ruïnes van de traditie?

Het stond in Trouw: ‘De PKN viert feest zonder scherpe kantjes’[1]. Het stuk bevat zowel kritische noties en suggestieve etiketteringen als positieve connotaties. Van een afstand bekeken, door de bril van ‘deskundigen’, zoals een krant dat kan vragen. Kees van Setten reageert. 

kerk

Liturgiewetenschapper Marcel Barnard bracht te berde dat, in tegenstelling tot de openingsviering met Beatrix in 2003, haar zoon zondag getrakteerd wordt op een “knutselliturgie” waar van alles in zit: “van klassiek-kerkelijk tot populair”. De keuze voor populaire artiesten is een verkeerde: “daarmee zet de kerk haar eigen traditie in de uitverkoop”. Een vaker gehoorde klacht.

Zware woorden en je moet nog maar eens kunnen aantonen dat het inhuren van een (seculiere) popartiest betekent dat daarmee de traditie in de uitverkoop gaat. Volgens mij is dat niet zo en wil ook niemand van de organisatoren dat. Al hoop ik niet dat ik mij in dit laatste vergis. Erger vind ik dat het woordgebruik in het artikel in de sfeer van de suggestieve hints blijft hangen. Wat bedoel je met ‘de traditie in de uitverkoop’? Wat wordt er precies verkocht? En wat bedoel je met ‘traditie’?  Het argument of verwijt wordt in kerkmuzikale en liturgische kringen heel vaak genoemd zonder dat duidelijk is wat bedoeld wordt. Is er onderscheid tussen geloofstraditie en kerkelijk-culturele traditie bijvoorbeeld? Hebben we het bij traditie over de geloofsbelijdenis, over het orgel, over de canoniciteit van de Geneefse psalmen, over de noeste eikenhouten banken in de grote kathedralen, de bijbel, over de collecte na de preek, over het (verdwenen) gezag van de ouderling, over koorboek of beamer?  Wat behoort bij welke traditie en wat mag persé niet in de uitverkoop? Behoort ‘bricolage’ tot de traditie? Ik zou zeggen van wel, want er zijn nauwelijks liturgieën waar niet gebricoleerd wordt. Een liturgie met een Gregoriaans gezang, een Geneefse psalm, een Bach koraalvoorspel tijdens de collecte, een lied van Isaac Watts en eentje van Oosterhuis zal dit knutselstigma niet snel treffen, maar ziet natuurlijk scheel van de bricolage. Ik hoor een nukkige Bach al brommen, al bricoleerde hijzelf er ook lustig op los.

Bestaat er populaire liturgie die de mensen niet willen?

De angel zit kennelijk bij ‘populair’: “het is een populaire liturgie, gericht op wat de mensen willen”. Mijn vraag is onmiddellijk: bestaat er populaire liturgie die de mensen niet willen? En is die dan goed? Mogen de (schitterende!) Chicester Psalms van Bernstein of een seculiere andere moderne componist wel? Waarom?  En: is de gerichtheid op wat de mensen willen zo slecht? Het alternatief is vaak: een liturgie die de ‘deskundigen’ willen. Waarom zou dat beter zijn? Het zou aardig zijn hierover eens een socratisch gesprek te houden, want onze formuleringen zijn te vaak te vaag. Het is jammer dat op deze wijze nooit duidelijk zal worden wat we precies bedoelen en zo vind je elkaar nooit. Dit soort zinloze en betekenisloze loopgravenoorlogen bestaat bij de gratie van het niet luisteren en niet respecteren. Aan het ene uiterste degenen die de moderniteit klakkeloos omarmen, aan het andere uiterste degenen die de liturgie inkoken tot een museaal en canoniek stolsel. En daartussen de exodus van degenen die de kerk verlaten.

Een hardnekkige mythe is overigens dat de omarming van de seculiere popwereld alleen maar missiologische motieven zou hebben. Het idee zou zijn dat je zo ook de ongelovigen kunt bereiken. Ik ben het wel met Barnard eens dat dat nauwelijks werkt, maar dat is toch niet het enige en belangrijkste motief. Het is inmiddels de cultuur van veel kerkgangers geworden. De cultuur van de kerk zélf is veranderd. Dat is kennelijk nog steeds moeilijk te accepteren, wellicht omdat die nieuwe cultuur zich soms in een al te kleurrijk palet van rijp en groen aandient.

De kerk laat de feestjes niet meer achter gesloten deuren plaatsvinden.

Daarnaast bestaat het missiologische er mogelijk alleen maar uit dat de kerk de feestjes niet meer achter gesloten deuren laat plaatsvinden. Er mag gezien worden wat er in de kerk gebeurt. Met alle middelen die ons ter beschikking staan in de cultuur van nu en vroeger.

Ik steek een loopgraaf over in de hoop niet neergeschoten te worden. Mijn weerstand tegen het ‘zurige’ van het artikel (míjn beleving) gaat hand in hand met een weerstand tegen geknutsel in de liturgie. Ik begrijp de weerstand die zich tussen de regels verborgen houdt heel goed. Aan het woord bricolage heb ik inmiddels een hekel, al is dit feitelijk slechts een descriptieve terminus technicus uit het ‘discours’.

Men kent het volgende tafereeltje wel. Er  moet een bijzondere viering in elkaar gezet worden en daartoe is een commissie muurtjegevormd. Iedereen neemt wat mee: een lied, nog een (heel ander) lied, een thema, een idee voor de kinderen, opvattingen over het bloemstuk en speciale koekjes voor na afloop. Er is wat gekissebis: de organist wil Opwekking 666 niet spelen en mevrouw de Graaff wil persé ‘Daar ruist langs de wolken’ opgenomen hebben. Dat is allemaal best wel proppen, want die moet nog wat zeggen en die ook. Aan het einde dan maar: het wordt een liturgie met een Beethoven-slot. Voor de leek: een lang slot. Toch slaagt men erin een liturgie bij elkaar te polderen ‘waarin iedereen zich kan vinden’. Niemand van de bloedgroepen weet zich achtergesteld of tekort gedaan. Fijn. En dat dankzij een compleet bloedeloze knutselliturgie.

Met deze karikatuur in het achterhoofd heb ik de liturgie van aanstaande zondag eens bekeken. Is die liturgie het product van zo’n knutselende en polderende voorbereidingsgroep? Ik stel dit slechts als vraag, een goede casus voor het genoemde socratische gesprek. Zit er een lijn in, is het thema goed doorgevoerd? Is er sprake van een liturgisch narratief? Vormen de cultureel verschillende onderdelen een eenheid? Deze vragen lijken mij wezenlijker dan de vraag of er een elektrische piano gebruikt wordt (ook al vind ik die verschrikkelijk), er een popliedje gezongen wordt en of er iemand ingehuurd wordt die niet helemaal spoort met mijn vaste geloofsopvattingen. Waarbij aangetekend dat het in de kerk natuurlijk nog steeds om God en ons geloof in Hem moet gaan.

Bij EredienstCreatief gaan we uit van het idee van ‘Blended Worship’. We noemen dat: ‘Verbindend Vieren’[2]. We verbinden elementen uit verschillende culturen, oude met jonge tradities. Maar we proberen het bricoleren in de vorm van alles op-een-hoop te vermijden. Er moet een lijn, een spanningsboog in de liturgie zitten. Anders communiceert ze niet. Zo’n liturgie is een ‘narratieve liturgie’ . Dat is geen liturgie-met-verhalen, maar hierbij is de liturgie zélf narratief van aard. De liederen en teksten vormen een eenheid ook al reflecteren ze een verschillende liedculturen. Er zit ‘flow’ in en de contrasterende onderdelen zijn dienstig aan het ene verhaal van de viering. Dat is een liturgie die ergens over gaat en niet zomaar het product van het tevreden houden van de bloedgroepen.

Luisteren naar elkaars bedoelingen en drijfveren

Het is voor zowel het gewone volk als de deskundigen – de traditie en de moderniteit – een uitdaging om nu eens samen om de tafel te gaan zitten en te luisteren naar elkaars bedoelingen en drijfveren. Dan verbinden we en leren we van elkaar. Dan wordt de liturgie weer speels en geen mens-erger-je-niet.

 

 

Naschrift: Op zijn blog reageert Marcel Barnard naar aanleiding van de reacties ook zelf op het genoemde interview. 

Lees ook de trendwatching van Jaap Overeem op deze site.

 

[1] Trouw, donderdag 11 september, pag. 3 en De Verdieping pag.6-7.

[2]  K.W. de Jong, red., Verbindend Vieren. Spelen met vormen en stijlen in de eredienst, Zoetermeer-2013

 

 

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *