Erfgoed en verandering

John Witvliet

De Amerikaanse theoloog en musicus John Witvliet is directeur van het Calvin Institute of Christian Worship in Grand Rapids

Lezing van John Witvliet, Symposium “Veelkleurig Vieren” 2011 over de schoonheid en glorie van God vanuit een rijk erfgoed van gereformeerde liturgie en gemeentezang (psalmen) in een tijd van liturgische verandering en vernieuwing en een verlangen naar deelname en beleving en een Bijbelse liturgie.

 

Liturgie als daad van verbond, van relatie

Bekijk deze twee lijstjes werkwoorden die beschrijven wat er in de kerkdienst gebeurt:

Lijst A kijken, luisteren, aanraken, gebaren, ruiken, verbeelden, spreken, zingen

Lijst B prijzen, klagen, schuldbelijden, danken, overtuigd worden, geïnspireerd worden, getroost worden

Lijst A richt zich op een lichamelijke, zintuiglijke ervaring, wat er gebeurt bij het zien of horen of maken van kunst. Deze woorden zijn niet uniek voor liturgie. Het zijn bouwstenen voor alle menselijke actie en interactie. Maar zonder deze werkwoorden kunnen we geen liturgie vieren. En zij zijn de reden waarom kunst ertoe doet in de eredienst: kunst verheft, verdiept en verscherpt al die zintuiglijke activiteiten en kleurt ze als daden van aanbidding in.

Lijst B bevat werkwoorden die de verbondsrelatie aangeven die christenen gezamenlijk met God hebben in Jezus Christus door de Geest. Het zijn metaforen, ontleend aan relaties tussen mensen. De Schrift gebruikt ze om te schetsen en een beeld op te roepen, hoe wij God kennen en ervaren. De lijst bevat zowel actieve werkwoorden (prijzen, klagen, schuldbelijden, danken) als passieve (overtuigd, geïnspireerd en getroost worden). Dat geeft aan dat onze relatie met God tweerichtingsverkeer is. Het gaat zowel om boodschappen die wij tot God richten, in het gebed, als om boodschappen die God tot ons richt, door de Schrift en door het voedsel dat Hij ons aanbiedt aan de tafel van de Heer.

Van deze verbondsactiviteiten vinden we een model in de Psalmen; de profeten hebben er uit alle macht op aangedrongen om ze te bewaren; en we vinden er voorbeelden van in de meest gelovige christelijke liturgie van de afgelopen (meer dan) twintig eeuwen.

Deze twee lijstjes – allebei onmisbaar voor de eredienst – houden op een heel eenvoudige manier verband met elkaar: lijst A helpt ons om lijst B te bereiken. We kijken in de liturgie naar een kunstwerk, bijvoorbeeld met als doel tot lofprijzing of schuldbelijdenis te komen. We zingen, met als doel te danken of te klagen. De werkwoorden van lijst A helpen ons om het ultieme doel van liturgie te bereiken, namelijk het aangaan, beleven en genieten van onze verbondsrelatie met God in Christus. Als menselijke, lichamelijke activiteiten hebben deze lijst A-woorden een enorme potentie om onze omgang met de drie-enige God levendiger, echter en beeldender te maken.

Nicholas Wolterstorff betoogt het overtuigend: ’Goede liturgische kunst is kunst die de handelingen van de liturgie doeltreffend dient … Liturgische kunst, vaak participerend van karakter, is de kunst van een gemeenschap, en staat in dienst van die liturgische handelingen, en niet van esthetische beschouwing.’ Als je er goed over nadenkt, is dit een heel diepe doelstelling voor bezig zijn met kunst. Een liturgische kunstenaar is er niet op uit kunstwerken te maken die mensen alleen maar ’aanspreken’ of ’raken’, maar hij wil hen vooral in staat te stellen – gezamenlijk – deel te nemen in daden van verbondsvernieuwing met de drie-enige God. Veel van de aanzienlijke problemen met liturgie ontstaan wanneer het verband tussen die activiteiten van lijst A en lijst B onhelder is. Als kerkgangers een lied hebben gezongen en alleen maar denken: ’wat een krachtig, stuwend ritme’, als kerkgangers een kleurige vlag zien en denken: ’wat een levendige kleuren’, dan maken die kunstwerken hun hoogste potentieel niet waar. Liturgische kunstenaars verlangen ernaar dat kerkgangers zeggen: ’jouw lied, jouw gedicht, jouw dans heeft ons echt geholpen om te bidden en naar God te luisteren’.   De belofte van liturgische kunst is dus dat ze de gemeente op een dieper niveau kan laten deelnemen in wat er, relationeel en verbondsmatig, in de eredienst gebeurt. Kunstenaar en gemeente moeten dan wel actief de verleiding weerstaan om kunstwerken te maken als doel in zichzelf, én de verleiding om de verbondsdimensies van de eredienst te vervagen door een sentimenteel surrogaat. De overgang naar die diepere laag van betrokkenheid vraagt een bewuste keuze, en vaak de bereidheid om een aantal conventies van kunstzinnigheid opzij te zetten die hoogtij vieren in kunstgalerieën, theaters en concertzalen.

In elk van deze voorbeelden staat een kunstenaar eerst even stil om zich enkele heel basale vragen te stellen: bij welke verbondsactiviteit(en) wil dit kunstwerk de gemeente helpen? Is het geschikt voor die taak? In heel wat gevallen waarin liturgische kunstwerken hun doel missen, ligt dat aan een kunstenaar die zich deze basisvragen niet stelt – en aan kerken die kunstenaars nooit uitnodigen of stimuleren om dat te doen. Dat probleem is overigens niet uniek voor kunstenaars. Het doet zich voor bij predikers die met hun spreken uiteindelijk iets anders willen bereiken dan de verkondiging van het evangelie.

Gelukkig kan die functionele betrokkenheid van kunst op de verbondsrelatie worden gestimuleerd op heel eenvoudige, toegankelijke manieren. Veel kunstopdrachten binnen de kerk zouden een heel stuk dienstbaarder zijn wanneer ze werden geformuleerd in varianten van deze zin: ’Maak s.v.p. een muziekstuk, drama, dans of beeldend kunstwerk dat deze gemeente helpt, in deze tijd en op deze plaats, mee te doen aan die-en-die verbondsmatige activiteit.’ Bijvoorbeeld: ’Schrijf s.v.p. een lied dat ons helpt om te leren met meer diepte te klagen over de honger in onze gemeenschap.’

Geen sentimentaliteit

Dit verbondscriterium is ook cruciaal als we het gaan hebben over een van de grootste ’zonden’ van liturgische kunst: sentimentaliteit. Sentimentele kunst nodigt kerkgangers ook uit tot een niveau van betrokkenheid, maar het vormgeven aan hun gezamenlijke relatie met God wordt er goedkoper van, in plaats van dieper. Sentimentele kunst, zegt Jeremy Begbie, vermijdt het kwaad eerlijk af te schilderen, wekt een soort emotionele zelfvoldoening, en wakkert een aversie aan tegen actie en betrokkenheid die iets kost.

Veel kunstenaars geven onmiddellijk toe dat de christelijke eredienst als een onweerstaanbare magneet lijkt te werken op sentimentele kunst – melodieën, beelden, metaforen, ritmes en kleurpaletten die erin slagen de kerkdienst prettig en volkomen ongevaarlijk te maken. Het is een pastorale uitdaging voor bijna alle gemeenten die iets met kunst willen doen, om kunst te (laten) maken die sentimentaliteit vermijdt. Een van de beste strategieën is te zorgen dat het liturgische (verbondsmatige) doel van een bepaald kunstwerk vanaf het begin duidelijk is. Een gemeente die een fi lmmaker of een dichter vraagt een kunstwerk dat helpt om ’oprecht voorbede te doen voor de noden van de wereld’, loopt waarschijnlijk veel minder risico om met kitsch te worden opgezadeld dan een gemeente die alleen maar zegt: ’Geef ons iets om het begingedeelte van de dienst op te vrolijken’ of ’laten we eens zien of we een plek kunnen vinden voor een kunstwerk dat je al gemaakt hebt’.

Samengevat: waar we behoefte aan hebben zijn voorbeelden van liturgische kunst die duidelijk gekoppeld zijn aan specifi eke acties van betrokkenheid in het verbond: lofprijzing, klacht, schuldbelijdenis, luisteren om getroost te worden, luisteren om ons te laten corrigeren. En we hebben behoefte aan kunstwerken die elke waardevermindering van deze acties tot iets wat het niveau van het verbond niet haalt, weerstaan.

Liturgische kunst als icoon

Ten tweede: de beste liturgische handelingen en kunstwerken hebben de functie van een icoon en weerstaan afgoderij. Wanneer de psalmen getuigen van een liturgische ervaring, hebben ze het er vaak over dat de gelovige stilstaat bij niets minder dan de schoonheid en glorie van God: ’In het heiligdom heb ik u gezien, uw macht en majesteit aanschouwd’ (63:2); ’In uw tempel, God, gedenken wij uw blijken van trouw’ (48:10). Liturgie is duidelijk een lichamelijke ervaring, van alle zintuigen, maar wat er echt toe doet in liturgie is dat die hele zintuiglijke ervaring meewerkt aan het opmerken van de schoonheid, liefde en genade van de drie-enige God. Een traditie waarin je dat heel duidelijk terugvindt, is de Orthodoxe iconen-traditie. Zoals Orthodoxe christenen vaak uitleggen, zijn hun iconen niet maar bedoeld om naar te kijken. Ze zijn er om doorheen te kijken. We fixeren onze ogen op het beeld, maar ons hart en onze ziel merken daar doorheen iets op wat rijker en dieper is. We nemen iets waar van de schoonheid, liefde en genade van God zelf. Dat bedoel ik met kunst die de functie heeft van een icoon. Dat is een passend criterium voor alle liturgische kunst. Als kunst spreekt ze onze zintuigen en ons lichaam aan, en het blijft ook onverminderd een zintuiglijke ervaring, maar tegelijk nodigt ze ons uit om de schoonheid van God op te merken. Die iconische functie, in brede zin, is al heel lang een kernbegrip in de theologische doordenking van kunst in de liturgie. In zijn commentaar op de Psalmen, bij Psalm 9:11, schrijft Calvijn:

’Het volstond niet voor de gelovigen, in die dagen, om afhankelijk te zijn van het Woord van God, en om deel te nemen in de ceremoniële diensten die Hij voorschreef, als zij niet, met hulp van uiterlijke symbolen, hun geest daar bovenuit verhieven, en geestelijke aanbidding opdroegen aan God. God gaf ook werkelijke tekenen van zijn tegenwoordigheid, in dat zichtbare heiligdom, maar niet met als doel de zintuigen en gedachten van zijn volk aan aardse elementen te binden; Hij verlangde veeleer dat deze uiterlijke symbolen zouden dienen als een ladder, waarlangs de gelovige zelfs tot in de hemel zou kunnen opstijgen. Vanaf het begin was het God bij de aanwijzing van de sacramenten en alle uiterlijke beoefening van de godsdienst erom te doen, de onstandvastigheid en het zwakke vermogen van zijn volk te hulp te komen. Vandaar dat hun ware en gepaste gebruik, tot op de huidige dag, daarin ligt dat zij ons helpen om God geestelijk te zoeken in zijn hemelse heerlijkheid, en niet om onze geest bezig te houden met de dingen van deze wereld, of gericht te houden op de ijdelheden van het vlees.’

John Wesley besloot zijn fameuze richtlijnen voor gemeentezang met deze stimulerende samenvatting:

’Bovenal, zing geestelijk. Heb een oog op God bij ieder woord dat u zingt. Streef ernaar om meer Hem te behagen dan uzelf of enig ander schepsel. Houd u daartoe strikt bij de betekenis van wat je zingt, en let erop dat u uw hart niet laat meeslepen door wat u hoort, maar het voortdurend aan God offert; zo zal uw zingen zijn zoals God het in dit leven zal goedkeuren, en u ervoor belonen wanneer Hij komt op de wolken van de hemel.’

Bij zowel Calvijn als Wesley, en in tientallen andere belangrijke geschriften uit de kerkgeschiedenis, is het doel hetzelfde: stilstaan bij, mediteren over de pure goedheid van God, die in je op te nemen en te aanbidden. In deze traditie is het grootste compliment dat een kerkganger een kunstenaar kan maken, niet ’wat heb je een mooi kunstwerk gemaakt, het doet ons echt wat’, maar ’door jouw werk hebben we een nieuwe glimp opvangen van de schoonheid van God.’

Afgoderij weerstaan

Maar als kunst in de liturgie ons uitnodigt over God te mediteren, dan is ze ook geladen met een van de meest serieuze taken binnen de hele christelijke gemeenschap: het weerstaan van afgodsbeelden van en afgodsdenkbeelden over God. Dit is niet het verband dat meestal gelegd wordt tussen ’kunst’ en ’afgoderij’. Meestal, wanneer die twee woorden in elkaars buurt staan, is dat in de context van bezorgdheid dat kunst tot afgoderij kan leiden – in het bijzonder een verering van het kunstwerk of de kunstenaar. Deze traditionele zorg heeft de kerkgeschiedenis door tot beeldenstormachtige bewegingen geleid, soms gebaseerd op het tweede gebod, dat zegt dat we geen gesneden of gegoten beelden van God mogen maken.

Maar het vereren van kunstenaars en kunstwerken is niet de enige vorm van afgoderij die het christelijke leven plaagt. Er is een andere, soms verraderlijker vorm van afgoderij, een afgoderij van misvorming. Wij aanbidden een afgod niet alleen wanneer we een voorwerp behandelen alsof het God was, maar ook wanneer we het goddelijke leven, goddelijke heerlijkheid en goddelijke verlossing op minder-dan-christelijke manieren opvatten, manieren die geen recht doen aan de rijke Bijbelse voorstellingen van wie God is en hoe Hij is. Kunst is één manier waarop Gods Geest daarbij gebeden kan verhoren en ook verhoort. Ik geef een voorbeeld van zo’n kunstwerk dat tot doel heeft afgoderij te weerstaan, een liedtekst van John Bell uit de Iona-gemeenschap.

Lift up your heads, eternal gates, Alleluia!
See how the King of glory waits, Alleluia!
The Lord of Hosts in drawing near,
the Savior of the world is here. Alleluia!
But not in arms or battle dress, Alleluia!
God comes, a child, admist distress, Alleluia!
No mighty armies shield the way,
only coarse linen, wool, and hay, Alleluia!
God brings a new face to the brave, Alleluia!
God redefi nes who best can save, Alleluia!
Not those whose power relies on threat,
terror or torture, destruction or debt, Alleluia!
God’s matchless and majestic strength, Alleluia!
In all its height, depth, breadth, and length, Alleluia!
Now is revealed, its power to prove,
by Christ protesting, “God is love,” Alleluia!
– John L. Bell (GIA anthem)

Dit is een verzetstekst. Ze probeert de bijziendheid te corrigeren die denkt dat verlossing het beste kan worden bereikt via structuren van menselijke macht. Tegelijk ondergraaft de tekst ieder idee over God dat bezoedeld en omlaaggehaald wordt door een te agressieve opvatting van goddelijke macht. Deze tekening biedt duidelijk ook weerstand tegen diverse sentimentele beelden en iconen die Jezus voorstellen als niet meer dan een zachtaardige vriend of een over-optimistische metgezel. De kerk heeft een lange traditie van verzet tegen kunst in de eredienst; voor een deel komt dat verzet voort uit een diepe (en gerechtvaardigde) bezorgdheid voor afgoderij. Maar kunst kan ook een doeltreffend verzetsmiddel zijn – een krachtig tegengif tegen afgodsbeelden van God.

Het bestrijden van afgodsdenkbeelden over God is een profetische taak, die ook geestelijke gevaren meebrengt. Iedere kunstenaar die het probeert – net als iedere theoloog, predikant of pastor – zal dat al snel ontdekken. Als een gemeente je vraagt om te helpen Gods heerlijkheid beter te bevatten, kun je daar gemakkelijk een zelfi ngenomen houding van krijgen: kijk ons eens, wij kunstenaars, wij theologen, wij predikanten hebben de waarheid. Daarom moet iedere liturgische kunstenaar met die ambitie – net als iedere pastor, predikant en theoloog – het soort geestelijke discipline moet beoefenen dat dergelijke zelfi ngenomenheid zal weerstaan. Hij of zij zal moeten functioneren in relaties van wederzijds geestelijk verantwoording afl eggen en van wederzijdse toetsing. Uiteindelijk is het weerstaan van afgoderij, zoals de eredienst zelf, een taak van de gemeenschap.

Maar als die geestelijke toetsing en verantwoording werkt, dan kennen kunstenaars zichzelf terecht een mogelijk profetische en priesterlijke taak toe, om een gemeente te helpen iets van de glorie en schoonheid van de drie-enige God op te vangen. Het is een verbijsterende claim, maar wel een die inhoudt dat het ’weerstaan van afgoderij’ een van de voornaamste roepingen voor iedereen die liturgisch kunstenaar wil zijn. Ieder van ons moet elke ochtend wakker worden met de gedachte: welke afgod van de verbeelding willen we vandaag heel graag weerstaan en welke aspecten van goddelijke schoonheid willen we heel graag belichten (en aanbidden!)? Samengevat, een liturgisch kunstwerk is het best op zijn plek als het iets is van de gemeenschap, als het functioneel is, als het werkt als een icoon en afgoderij weerstaat. Elk van deze criteria nodigt kunstenaars uit om nieuwe lagen van creativiteit, betrokkenheid en doelgerichtheid aan te boren. Elk van deze criteria maakt aanspraak op gerichte aandacht van kunstenaars en van de gemeenschap die hen ondersteunt. Dit kan worden bereikt door enkele zeer basale vragen te overwegen:

  • hoe kan een liturgisch kunstwerk langs gezamenlijke weg tot stand komen?
  • hoe kunnen mijn kunstzinnige gaven ervan getuigen dat het christelijk geloof iets van de gemeenschap is?
  • hoe kan mijn kunstwerk de mensen in de gemeente over de hele breedte aanspreken, en wat kan ik doen zodat kerkgangers dit kunstwerk op een dieper niveau kunnen begrijpen en beleven?
  • wat kan ik doen om te zorgen dat mijn kunstwerk alleen maar bewondering (of afwijzing!) ten deel valt, maar veeleer wordt beleefd als een actie van gebed of verkondiging?
  • wat kan ik doen zodat mijn mensen door mijn kunstwerk heen zien (of luisteren) en daardoor iets van Gods schoonheid en glorie opvangen?
  • welke misvatting over Gods schoonheid en karakter kan mijn kunstwerk weerstaan?
  • Welke positieve eigenschap van Gods schoonheid krijgt te weinig aandacht die mijn kunstwerk in het licht kan zetten?

Geen van deze vragen hoeft creativiteit de kop in te drukken. Ze kunnen wel dienen om creativiteit gericht in te zetten – voortkomend uit een veelomvattend, theologisch begrip van liturgie en van het christelijke leven. Dat Gods Geest kunstenaars van allerlei slag mag versterken, inspireren en uitdagen om hun profetische en priesterlijke taken op zich te nemen in het midden van het volk dat God aanbidt.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *