De deugd van het onderscheiden

John Witvliet

De Amerikaanse theoloog en musicus John Witvliet is directeur van het Calvin Institute of Christian Worship in Grand Rapids

Lezing van John Witvliet van het Calvin Institute of Christian Worship tijdens het Symposium ” Veelkleurig Vieren” van EredienstCreatief, maart 2011.

Kort na het begin van zijn brief aan de Filippenzen, bidt Paulus voor de christenen in Filippi:

’En ik bid dat uw liefde blijft groeien door inzicht en fi jnzinnigheid, zodat u kunt onderscheiden waar het op aankomt. Dan zult u op de dag van Christus zuiver en onberispelijk zijn, vol van de vruchten van de gerechtigheid, die u dankt aan Jezus Christus, tot lof en eer van God.’ – Filippenzen 1:9-11

Dit gebed komt voort uit Paulus’ verlangen dat zijn lezers de klassieke deugd van het onderscheiden gaan beoefenen. Hij wil dat ze in staat zijn goede keuzes te maken, te ’onderscheiden waar het op aankomt’. Daarmee reikt Paulus ons de anatomie van deze deugd aan. Hij wijst op drie noodzakelijke bouwstenen om te kunnen onderscheiden: liefde, inzicht en fi jnzinnigheid. En hij beschrijft het gewenste resultaat als je deze gave gaat beoefenen: heiligheid en gerechtigheid, die bijdragen aan de lof en eer van God. Op deze manier geeft de deugd van het onderscheiden energie en kracht aan een doordacht, gerijpt christelijk leven.

Rondom eredienst en liturgie is dit precies de deugd die christenen vandaag nodig hebben. Passie ten aanzien van liturgie hebben we genoeg. De geladen retoriek van de ’worship wars’ vertoont nog geen neiging om af te zwakken. In de meeste gemeenten is er geen gebrek aan meningen over liturgie en geen gebrek aan bereidheid om die te delen. Voor een deel is dit een gevolg van alleen al het aantal oproepen tot vernieuwing en verandering, die allemaal met elkaar concurreren. Om enkele recente bewegingen te noemen:

  1. de charismatische beweging
  2. de gemeentegroei-beweging
  3. de liturgische beweging
  4. een ’kunsten’-beweging
  5. postmodern perspectiefdenken
  6. neo-confessionalisme.

Nog nooit tevoren is de christelijke eredienst aan het veranderen geweest in zoveel richtingen tegelijkertijd. We hebben ook volop liturgisch materiaal direct onder handbereik. In boekwinkels, tijdschriften en op websites zijn overal nieuwe liederen, gebedsteksten en suggesties voor de opbouw van een dienst te vinden, meer dan er ooit beschikbaar geweest zijn in welke periode van de kerkgeschiedenis dan ook. Het aantal conferenties over liturgie is vertienvoudigd in de afgelopen tien jaar. Ook orthodox-gereformeerde en evangelische theologische opleidingen bieden tegenwoordig studies over deze kernactiviteit van het kerkelijk leven aan.

Maar bij al deze energie en al deze materialen, ontbreekt het ons vaak aan het onderscheidingsvermogen om er goed gebruik van te maken. Wat we het meest nodig hebben, is eigenlijk een gebed van schuldbelijdenis, dat we dat onderscheidingsvermogen missen. Laat ik, om zo’n gebed concreter te maken, een paar voorbeelden geven van het tekort aan deze deugd. Ik put daarbij meest uit ervaringen die ik hoor van mijn studenten op drie theologie-opleidingen (Calvin, Tyndale en Northern Baptist).

  1. Er was een gemeente waar een deel van de mensen bezwaar maakte tegen Bijbelliederen met een refrein waarin één tekstregel steeds maar werd herhaald, wel tien keer of vaker. Dezelfde groep vroeg vervolgens de dirigent van het koor het ’Hallelujah’ van Händel te zingen. (Goed, Händel heeft misschien iets meer muzikale kracht en nuance te bieden dan de meeste Maranatha-liederen, maar het naïeve gebruik van dit argument blijft toch een probleem.)
  2. Omgekeerd maakte in een andere gemeente een aanbiddingsleider bezwaar tegen het gebruik van geschreven gebeden, omdat die zo voorspelbaar waren. Toen de liturgiecommissie opnamen van enkele diensten beluisterde, ontdekten ze dat deze aanbiddingsleider in vier opeenvolgende diensten ’spontaan’ hetzelfde, identieke gebed had uitgesproken. Dezelfde aanbiddingsleider, die eerder bezwaar had gemaakt omdat een stuk of tien traditionele gezangen veel te vaak werden gezongen, liet zelf een stuk of tien opwekkingsliederen keer op keer zingen.
  3. In een andere gemeente waren drie voorgangers die met een aanbeveling kwamen, en die ook afdwongen, om de opzet van de liturgie compleet te veranderen, op basis van het bijwonen van één conferentie over eredienst en evangelisatie. Ze lieten er niet eens een maand overheen gaan om met de gemeente te overleggen en te bidden.
  4. In weer een andere gemeente wees de kerkenraad een voorstel af om vaker avondmaal te vieren, omdat het avondmaal dan ’niet langer bijzonder zou zijn’ – een argument dat (vreemd genoeg) zelden tegen de prediking wordt ingebracht.

We hebben hier te maken met situaties waarin overtuigde christenen ergens hun theologische en pastorale evenwicht kwijt zijn geraakt. Misschien waren het belangrijke en zinnige standpunten die ze bepleitten, maar ze misten de liefde, het inzicht en de fi jnzinnigheid om hun gemeente te helpen om er op een onderscheidende manier het gesprek over te voeren.

De anatomie van liturgisch onderscheidingsvermogen

Wat is nu ’onderscheidingsvermogen’? Het is een klassieke deugd, een veel voorkomend thema in het Oude en het Nieuwe Testament en de klassieke fi losofi e. Het is wat Salomo graag wilde, toen hij vroeg om ’een opmerkzame geest, zodat ik … onderscheid kan maken tussen goed en kwaad (1 Kon. 3:9). Het is waar Paulus het over heeft in Romeinen 8, als hij zegt dat vernieuwing van onze ’gezindheid’ ons zal helpen om te onderscheiden wat de wil van God is. Onderscheidingsvermogen, of prudentia, zegt Augustinus, is ’liefde die met wijsheid onderscheidt wat haar hindert en wat haar helpt … prudentia is liefde die een juist onderscheid maakt tussen wat haar helpt om dichter bij God te komen en wat haar kan hinderen’. Joseph Pieper typeert het als ’een weloverwogen ernst … een fi lter van overwegingen’, en ’het vervolmaakte vermogen om beslissingen te nemen die overeenkomen met de realiteit … het wezen van ethische rijpheid’. Lewis Smedes, in wat meer alledaagse taal, noemt het ’een neus hebben voor wat er gaande is onder het oppervlak’. Onderscheidingsvermogen is zo bijna synoniem voor een iets groter begrip – wijsheid.

Laten we eens kijken naar enkele specifieke ingrediënten in het recept voor onderscheidingsvermogen. Het veronderstelt, om te beginnen, openheid om een vernieuwing of een nieuwe praktijk te onderzoeken. Onderscheidende mensen zijn altijd bereid om i

emand, een beweging, een liturgische stijl een eerlijke kans te geven. Onderscheidende kerkmusici bijvoorbeeld kunnen muziek van Vineyard, Johannes de Heer en Opwekking op de plank hebben net zo goed als van Taizé, Iona en de Interkerkelijke Stichting voor het Kerklied. Toch is onderscheidingsvermogen niet hetzelfde als een blanco goedkeuring. Het vereist juist op z’n minst af en toe ’nee’ zeggen – en dat is een moeilijk woord in onze postmoderne tijd. Onderscheidende aanbiddingsleiders weten bijvoorbeeld dat een warme, gastvrije toon in de dienst niet inhoudt dat je dingen gaat zeggen die gladjes of vooral grappig bedoeld zijn. Onderscheidende voorgangers weten het verschil tussen ’warm’ en ’grappig’ en zullen dan stevig ’nee’ zeggen tegen dat laatste. Wil dit werken, zo lijkt Paulus te zeggen, dan is er ’inzicht en fi jnzinnigheid’ nodig. Voorgaan in de liturgie vereist geestelijke rijpheid en een verlangen om te groeien in de kennis en liefde van de Heer. De vereisten die het Nieuwe Testament voor oudsten geeft, wijzen erop dat voorgaan in de liturgie evenzeer hun taak was als het bijwonen van kerkenraadsvergaderingen. Voorgaan in de liturgie vraagt om méér dan goede bedoelingen. Net als ieder ambt en iedere bediening of functie binnen de kerk, is het een roeping. De Geest geeft sommige mensen daar gaven voor. De uitdaging voor ons is om die gaven tot bloei te laten komen en ze te verfi jnen, tot opbouw van de gemeente.

In veel gemeenten gaan steeds vaker ’gewone gelovigen’ in een deel van de liturgie voor. Dit is misschien wel een van de meest ingrijpende liturgische veranderingen van de vorige eeuw. Dat kan heel waardevol zijn – een manier waarop de eredienst iets van de gemeente zelf wordt, een expressie van het ’priesterschap van alle gelovigen’. Dit werkt het beste wanneer mensen in die functie werk maken van het bestuderen van de Bijbel, en wanneer ze graag een liturgiecongres bezoeken of een nieuw boek over de eredienst lezen. Het werkt niet zo goed als mensen niet zoveel zin hebben in dat soort dingen. Veel aanbiddingsleiders zouden niet één boek over de theologie van de eredienst kunnen noemen. De meeste kerkgenootschappen vereisen van hun dominees dat ze een stevige theologische studie volgen voordat ze gaan preken. Prima. Maar van aanbiddingsleiders verlangen we alleen maar dat ze af en toe een repetitie of een commissievergadering bijwonen. We zouden er goed aan doen hen liefdevol uit te dagen om te groeien in de kennis en liefde van God.

Vervolgens wijst Paulus erop dat onderscheiden vraagt om liefde – zélfs als het gaat over liturgie. Calvijn vond dat ook. Hij gaat bijvoorbeeld in op de vraag of christenen moeten knielen in de kerk. Hij zegt dan dat liturgische handelingen niet voor altijd vaststaan; sommige zullen onvermijdelijk veranderen om zich aan te passen bij de cultuur van hun tijd. Hij waarschuwt tegen onbezonnen, plotseling en slecht beargumenteerde verandering. En dan concludeert hij: ’Maar liefde zal het beste beoordelen wat pijn kan doen of kan opbouwen; en als we liefde onze gids laten zijn, komt alles goed.’

Niet dat we vandaag sentimentele liefde nodig hebben in het gesprek over liturgie. Het gesprek vandaag moet beginnen met strenge liefde, die zoekt naar liturgische praktijken die op de lange termijn de gezondheid van de kerk dienen. Het vraagt om tedere, invoelende liefde, die serieus neemt wat medechristenen vertellen over hun eigen ervaringen in diensten. We moeten alle simplistische karikaturen vermijden; als mensen bijvoorbeeld vaker avondmaal willen vieren, moeten we niet meteen vragen ’wat heb je daar nou aan’; en als mensen vragen wat je in de wereld van vandaag aan kerkdiensten hebt, is dat niet meteen een oneerbiedige vraag.

Tot besluit: onderscheiden gaat het beste in de gemeenschap. Paulus bidt dat ’u (allemaal) kunt onderscheiden waarop het aankomt’. Paulus hield van de tweede persoon meervoud. Hij bidt om een gemeenschap die kan onderscheiden waar het op aankomt. Trouwe christelijke vrijwilligers zijn de ruggengraat van het kerkelijk leven. De meeste gemeenten zijn gezegend met mensen die, vaak in stilte, over het soort geestelijk onderscheidingsvermogen beschikken dat gemeenten zou helpen om keuzes te maken op basis van iets méér dan persoonlijke smaak. Dat zijn de stemmen die in onze liturgiediscussies moeten worden gehoord. Maar dat worden ze vaak niet. Allerlei schermutselingen over liturgie van de laatste tijd komen soms voort uit vernieuwingen die worden doorgedreven door mensen die geen oog hadden voor het gemeenschapsaspect van het onderscheiden. Het komt voor dat kerkelijke leiders zulke wijze en onderscheidende ’gewone gelovigen’ alleen maar zien als hinderpaal voor toekomstige groei. Er zijn gemeentegroeideskundigen die voorgangers stimuleren om deze mensen zo te zien.

En het is waar, het zijn stemmen die zich misschien laten horen zonder liefde en zonder inzicht, dus… zonder de noodzakelijke ingrediënten in het recept voor onderscheidingsvermogen. Maar waar liefde en inzicht worden geuit in gemeenschap, daar maakt de kerk haar identiteit waar als niets minder dan het lichaam van Christus. Misschien verbaast het u dat ik dit verhaal over liturgie begin niet met iets over liturgie zelf, maar over liefde, inzicht en gemeenschap. Ik kies voor deze aanpak omdat ik steeds meer de overtuiging heb dat veel discussies over liturgie tegenwoordig niet zozeer over liturgie gaan, als wel over macht, politiek en persoonlijke smaak. Het tegengif daarvoor is een liefdevolle, op de gemeenschap gerichte zoektocht naar wijsheid. Het tegengif is het bidden om, het tot bloei laten komen en het beoefenen van de gave van het onderscheiden.

Theologisch onderscheiden met het verstand: een voorbeeldstudie

Er zijn veel aspecten van de liturgie vandaag die om een onderscheidende geest vragen. Maar er zijn er niet veel die theologisch zo van betekenis zijn als de rol van de Heilige Geest in de eredienst. Beschouw dit als een voorbeeldstudie voor het toepassen van de gave van het onderscheiden. Hoe dient een onderscheidende christelijke gemeenschap te zoeken naar deze gave van de Geest, om die te ontvangen en te omhelzen in de liturgie?

De nadruk op het werk van de Heilige Geest in charismatische en pinksterkringen is welbekend. Maar het verbaast u misschien te horen dat de gereformeerde traditie bekend staat om het accent dat zij legt op de Heilige Geest in de liturgie. Hughes Oliphant Old, een gereformeerd theoloog, historicus en pastor, stelt: ’Als er één leerstuk is dat het hart van de gereformeerde liturgie vormt, is dat de leer van de Heilige Geest.’ En een aantal Calvijnkenners, onder wie B.B. Warfi eld, noemen Johannes Calvijn niets minder dan een ’theoloog van de Heilige Geest’. Een accent op het werk van de Heilige Geest is iets wat verschillende christelijke tradities gemeen hebben.

Als u in Calvijns Institutie de passages leest die betrekking hebben op de eredienst, zult u ontdekken dat de Heilige Geest in veel sleutelzinnen het onderwerp is (grammaticaal gezien). De Geest tilt ons op in de tegenwoordigheid van Christus in het avondmaal, zegt hij. De Geest verlicht onze harten als wij Gods woord horen verkondigen. De Geest inspireert onze lof en gebeden. In de woorden van Calvijn: ’Dit werk nu doet in ons de Geest. Want opdat het Woord niet tevergeefs in onze oren zou klinken en de sacramenten niet tevergeefs onze ogen zouden treffen, toont Hij (de Heilige Geest), dat het God is, die daar tot ons spreekt, verzacht Hij de hardnekkigheid van ons hart, en stemt Hij het tot de gehoorzaamheid die aan het Woord des Heren verschuldigd is’ (Institutie, IV, XIV, 10) Kortom, de Geest maakt elke brede beweging in de liturgie mogelijk: zowel de beweging van de mens naar God toe in lofzang en gebed, als de beweging van God naar de mens toe in verkondiging en geestelijk voedsel. In het theater van de liturgie heeft de Heilige Geest de hoofdrol. Liturgie is geladen van hemelse activiteit.

Hoe dit precies gebeurt, is uiteraard moeilijk te verklaren. Iedere poging om dit ten volle uit te leggen schiet hopeloos tekort. Misschien moeten we er ook voor terugschrikken om te proberen te exact te omschrijven hoe de Geest werkt. Maar met hulp van de Schrift kunnen we het wel vaststellen als onze manier van denken over de rol van de Geest in de liturgie misvormd is geraakt. Laten we drie veelvoorkomende problemen onder de loep nemen.

Een eerste problem treedt op wanneer we de rol van de Geest in de eredienst negeren of tekortdoen. Onlangs merkte een bezoekster van een liturgiecongres op dat ze blij was dat ze niet al te veel hoorde over ’al dat gedoe met de Geest’. Deze opmerkelijke opmerking geeft blijk van een bepaalde afkeer van niemand minder dan de derde persoon van de Heilige Drie-eenheid. De Heilige Geest is de gave van Jezus aan de kerk. Zouden we die gave niet moeten omhelzen?

Een tweede probleem is het beperken van onze visie op de rol van de Geest tot alleen de spontane of de uitbundige elementen van de dienst. We belijden dat de Geest door de Bijbelschrijvers heeft gewerkt zowel in de hoog verfi jnde poëzie van de Psalmen als in de geïmproviseerde preken van Petrus en Paulus. De Geest leidde vroege christenen tot het spreken in tongen, maar de Geest van God bracht ook orde in de chaos bij de schepping. Als de Geest door zowel orde als spontaniteit werkt, waarom beperken wij dan soms ons taalgebruik over de Geest tot alleen wanneer we het over het spontane hebben (zoals wanneer we terloops zeggen: ’Eh, we hadden geen tijd om de dienst voor te bereiden deze week, zullen we de Geest vandaag maar de leiding laten nemen?’, of ’Laten we onze voorbereide liturgie loslaten, zodat de Geest ons kan leiden’)?

’We moeten de Heilige Geest niet in verband brengen met minder voorbereiding of minder vormelijkheid’, zegt een studierapport voor de synode van de Christian Reformed Church in North America (1997). ’De Heilige Geest kan krachtig aanwezig zijn in een zeer zorgvuldig opgebouwde dienst en Hij kan afwezig zijn in een dienst met weinig structuur. Voorbij vragen van stijl en vorm, is het altijd deze vraag die voor ons ligt: brengt deze eredienst lof aan God door Jezus Christus in de Heilige Geest?’ De Geest kan heel goed werken zowel door de zorgvuldige voorbereidingen van een predikant als door een gebaar dat of een zin die de predikant niet vooraf had bedacht. De Geest kan werken zowel door de ijverige planning van een liturgiecommissie als door het spontane gebedsverzoek of getuigenis van iemand in de kerk. Een derde probleem is verleiding te denken dat we een ervaring van de Heilige Geest teweeg kunnen brengen, dat we het werk van de Geest op een of andere manier kunnen organiseren. Dit zou niets anders zijn dan magie, alsof we goddelijke actie kunnen manipuleren door ’op de juiste knop te drukken’ met bepaalde woorden, geluiden of bewegingen (Hand. 8:18vv heeft daar het een en ander over te zeggen.) Dit leidt tot de eeuwenoude valkuil te denken dat wij de handelende partij zijn die liturgie maken tot wat ze is. Dan kunnen we gaan denken dat krachtige kanselretoriek, of muzikale topkwaliteit, als zodanig van de eredienst een ontmoeting met God kan maken. De Schrift is duidelijk: de aanwezigheid van de Geest is altijd een geschenk. Ze kan nimmer worden georganiseerd of geproduceerd.

Als we in een van deze drie verleidingen vallen, dan variëren we tussen de Geest uitdoven (1 Tess. 5:19) en de Geest bedroefd maken (Ef. 4:30). Dat is het tegendeel van wat we moeten doen: de Geest verwelkomen en eren. De Geest maakt liturgie tot wat ze is – die theologische stellingname heeft, zoals de meeste belangrijke theologische uitgangspunten, directe liturgische betekenis. Bijvoorbeeld voor de manier waarop we bidden om de Geest. Door de kerkgeschiedenis heen zijn gebeden om de handelende tegenwoordigheid van de Geest altijd een fundamenteel onderdeel van de christelijke eredienst geweest. Dit gebed wordt soms ’invocatie’ of ’epiclese’ (van epi-cleo, ’inroepen’) genoemd.

Dit type gebed is prachtig bewaard gebleven in bijna iedere klassieke liturgische orde voor doop en avondmaal, op z’n minst al vanaf de vierde eeuw. Het klassieke voorbeeld in de gereformeerde traditie is het gebed om verlichting vóór de lezing van de Schrift en de preek. Een invocatie of epiclese-gebed zegt in essentie dit: ’Here God, de kracht van wat we hier zo meteen gaan doen is niet het resultaat van onze creativiteit, onze verbeeldingskracht of ons inzicht. Het is puur een geschenk. Moge uw Geest met kracht werken door deze lezing van de Schrift, deze preek, deze viering van het sacrament. En moge ons dank zij de werking van de Geest de genade van een duidelijker zicht op Jezus Christus geschonken worden door wat we hier gaan doen.’

De laatste jaren hebben sommigen het gebruik van klassieke formuliergebeden losgelaten – hier en daar met het argument dat het vieren van de sacramenten dan ’geestelijker’ wordt. Maar in het vrije gebed vergeten ze vervolgens te bidden om de werking van de Geest. Anderen gebruiken uitsluitend de klassieke formuliergebeden, maar hebben geen idee van de macht, de schoonheid, de geestkracht en de evangelieverkondigende waarheid van zo’n epiclese-gebed. Elk benadering kan aan een van de hoofdingrediënten van de liturgie voorbijgaan.

Ik geef een voorbeeld, waarom we theologisch moeten nadenken over hoe en waarom we doen wat we doen in de eredienst. Een doorleefd gebed om de handelende tegenwoordigheid van de Geest brengt ons tot een houding van verwachting en hoop. Het nodigt ons uit de werking van de Geest in ons midden te verwachten én onszelf te troosten met de gedachte dat de ontmoeting met God in de liturgie – net als het geloof en de verlossing zelf – meer een geschenk is dat we ontvangen, dan een prestatie die we bereiken. Hoe weten we of de Geest in de dienst aan het werk is geweest? Uitbundigheid of plechtigheid op zichzelf vertelt ons dat niet. De Geest kan beide gebruiken.

Een aanwijzing kan liggen in onze reactie op een dienst. Wat is het verschil tussen de volgende opmerkingen na een dienst: ’Tsjonge, wat een fantastische muziek vandaag’, en ’Bedankt, muzikanten, dat jullie me vandaag hebben geholpen om met meer diepgang te bidden’? En tussen ’Was dat nou niet es een geweldige preek’, en ’in deze dienst heb ik de opgestane Heer ontmoet’? Een van de voornaamste karaktertrekken van de Geest is dat Hij altijd op Christus wijst. De Geest is getuige en pleitbezorger voor de persoon van Jezus. Als we uit de kerk komen, getroost en uitgedaagd door een gelovige ontmoeting met Jezus Christus, dan kunnen we dankbaar zijn voor de werking van de Geest in ons hart. Dat is het inzicht van mensen die ’de geesten onderscheiden’.

Onderscheiding aan het werk: voorbeelden uit het gemeenteleven

Zijn er nog meer voorbeelden waarin we de gave van het onderscheiden aan het werk kunnen zien? Ik geef een aantal voorbeelden van recente ontwikkelingen in diverse gemeenten. Iedere weergave is tekort om recht te doen aan de complexiteit van de situatie. Maar ik hoop dat de voorbeelden wel aangeven hoe belangrijk het is om dieper af te steken dan onze normale standaardposities in deze kwesties.

  1. Een onderscheidende voorganger maakte openlijk studie van de toename van ’diensten voor zoekers’. Zijn conclusie was deze publieke evangelisatiesamenkomsten ons veel kunnen leren over evangeliseren, maar ook dat ze geen volwaardige vervanging kunnen zijn voor diensten van Woord en sacrament. Zijn kerk hield sindsdien wekelijks diensten van Woord en sacrament, en daarnaast regelmatlg evangelisatiesamenkomsten die door gemeenteleden niet zomaar worden gezien als ’light-versies’ van een kerkdienst, maar als een krachtige en toegewijde poging om het evangelie te verbreiden onder mensen die de vreugde van het christelijk geloof niet kennen.
  2. Een aanbiddingsleidster die net een theologische cursus over liturgie had gedaan, wilde in haar gemeente het volgen van het kerkelijk jaar weer invoeren. Ze begon niet met een uitleg over de minder bekende elementen van het kerkelijk jaar, zoals Epifanie, maar in plaats daarvan introduceerde ze de liturgische kalender in de taal van haar mensen, als ’een jaar lang geestelijk op weg gaan met Jezus’; ze richtte de aandacht dus op de theologische betekenis van de christelijke kalender.
  3. Een onderscheidende kerkmusicus kocht drie bundels met recent verschenen opwekkingsliederen als teken van openheid voor deze groeiende beweging; hij ging er vervolgens zorgvuldig studie van maken om de beste tien procent eruit te halen, ongeveer net zoals een liedboekcommissie met zorg alleen de beste tien procent van alle bestaande gezangen selecteert om in een liedboek op te nemen.
  4. Een andere gemeente wilde vaker avondmaal vieren en besloot dat te gaan doen op alle feestdagen waar Christus centraal staat (Kerst, Pasen, Hemelvaart en Pinksteren), en dus niet volgens de regelmaat van de kalender (bijvoorbeeld elke tweede zondag van de maand). Hierdoor zag de gemeente deze verandering niet als het doorvoeren van een bepaalde agenda voor de sacramenten, maar als een poging om het meest passende en diep-Bijbelse antwoord te vinden op deze sleutelgebeurtenissen in de heilsgeschiedenis.
  5. Een gemeente stuurde vertegenwoordigers naar twee verschillende conferenties over gemeentegroei en liturgie. Toen ze terugkwamen met een lijst met tientallen voorstellen om dingen anders te gaan doen, voerde de gemeente al die vernieuwingen niet zonder meer integraal in, maar begon ze een proces van gebed en gesprek, waardoor de hele gemeente steeds enthousiaster werd voor sommige ideeën en van andere zei: laten we dit maar niet doen.
  6. Een gemeente wilde haar muziekrepertoire – en haar besef van de heilige, algemene, christelijke kerk – verbreden door liederen op te nemen uit Afrika, Zuidoost-Azië en Zuid-Amerika. Ze ging die liederen niet zingen als muzikale extraatjes in speciale diensten, maar in bijna iedere dienst kregen een of twee van die liederen een plek waar ze een functie hadden in de liturgie.
  7. Een gemeente wilde jongeren meer betrekken bij de liturgie. Ze voerde niet eenmaal per jaar een jeugddienst in, maar besloot elke zondag ten minste één jongere een functie te geven: mensen bij de deur welkom heten en ze de weg wijzen, meedoen in het muziekteam of een schriftlezing doen. Ook bood de gemeente training voor jongeren aan om deze rollen op zich te nemen.
  8. Een gemeente wilde niet-ambtsdragers laten voorgaan in een deel van de liturgie, maar besloot niet tot de invoering van een muziekteam (wat in haar context verdeeldheid kon geven), maar tot de vorming van een groep voorlezers, die elke week bij elkaar kwamen om te oefenen voor de schriftlezingen van de komende zondag. Het resultaat was dat er op een doordachte en een mooie, verhalende en spelende manier uit de Schrift werd gelezen, zodanig dat iedereen in de gemeente naar dat moment in de diensten ging uitzien.
  9. Een gemeente stelde drie teams van aanbiddingsleiders in, maar was zo verstandig om gelegenheid te geven voor training in de theologie en de praktijk van de eredienst.

Hier zien we een aantal gemeenten die gezegend waren met wijze, pastorale voorgangers, die alle zorg besteedden aan de gave van het onderscheid. We zien mensen die streven naar de liefde, het inzicht en de gemeenschap die een omgeving vormen voor het nemen van goede beslissingen over de liturgie. Ik kan met deze voorbeelden, en met dit verhaal, de verdenking op me laden dat ik het iedereen naar de zin wil maken, door in een aantal netelige kwesties een soort veilig midden te kiezen. Daar gaat het mij helemaal niet om. Het gaat mij erom wegen aan te wijzen om te kijken waar het in deze discussies echt om gaat, je op de belangrijkste punten te richten en vorm te geven aan de deugd die het hart van Paulus’ gebed vormt.

De voorbeelden bevatten nog een andere belangrijke les. In elk van de gevallen voorkwam de gave van het onderscheid, dat de gemeente een liturgische agenda ging verwarren met de liturgie zelf. Een gevaar in al onze discussies over liturgische stijlen is dat we alleen nog maar over liturgie praten en het niet meer doen. Het gaat er in de liturgie om, vol vreugde en openheid te luisteren naar de verkondiging van Gods Woord; het is het voeden van onze honger met het geestelijk voedsel dat we van God ontvangen in het avondmaal; het gaat om het brengen van eerlijke en uitbundige lof aan een heilige, rechtvaardige en liefhebbende God. Het gaat erom eerlijk onze schuld te belijden en – vaak – onze klacht voor God te brengen. Als het gesprek over liturgie ons minder oplevert dan dat – vooral dat we druk zijn met kwesties over de stijl van de dienst – dan hebben we leiders met onderscheidingsvermogen nodig die ons terugroepen naar een doorleefde aanbidding van een heilige God.

Uiteindelijk is de activiteit van het onderscheiden een werktuig, een middel voor een hoger doel, een manier die ons helpt om, door de kracht van de Geest, meer te worden zoals Paulus het zegt: ’… zuiver en onberispelijk, vol van de vruchten van de gerechtigheid, die u dankt aan Jezus Christus, tot lof en eer van God’. Dat wij naar deze gave verlangen, haar laten opbloeien, en dan zien hoe ze vrucht draagt in liturgie, in aanbidding, die God de eer brengt, Christus in het middelpunt zet en door de Geest wordt geïnspireerd. Soli Deo Gloria.


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *