De Kwaliteit en het Spel

Enkele mijmeringen over de kwaliteit van muziek in de kerk

Door Kees van Setten

We waren bij een goede bak thee aan het praten over de muzikale begeleiding van de kerkdienst. Het wordt er niet makkelijker op om mensen te vinden die dat willen doen. Het project ‘Stay-tuned’ probeert jonge mensen te interesseren voor het orgel, maar of dat het probleem oplost? Men heeft er ook niet altijd geld voor over. Goede organisten zijn inmiddels schaars, hoewel je ook aan andere instrumenten of een muziekgroep kunt denken. Mijn gesprekspartner verzuchtte in dit verband dat ze zo’n moeite had met de ‘popstijl van zingen: ‘dan hoor je zo’n popzangeres die alles zingt met van die emotionele uithalen in haar stem. Zeker om interessant te doen of de aandacht te trekken. En het wordt helemaal erg als ze oude en bekende kerkliederen zingen met van die dramatische stem-uithalen. Het moet toch wel kwaliteit hebben!’ Ik gaf aan dat ‘poppers’ nu eenmaal zo zingen. Ze doen het er niet om, ze zijn niet anders gewend. Het is hun stijl. Inwendig was ik het wel een beetje met haar eens. Ik houd ook niet zo van die uithalen bij klassieke liederen.

Dit soort zaken stoort kennelijk, maar waarom eigenlijk? Omdat zulke stembewegingen niet ‘passend’ zijn of niet getuigen van ‘goede smaak’? Wat is dat en ‘wiens’ smaak? Is het soms zo dat we het niet gewend zijn? Er zijn zat stijlen in de wereld waarin dit heel normaal is. Ook het Gregoriaans heeft veel (melismatische) stembewegingen, al klinkt dat wat ‘beschaafder’. Of speelt hier het feit dat een dergelijke wijze van zingen niet strookt met het stijl-eigene van zulke liederen? Dat kan inderdaad heel verkeerd voelen, maar ís het ook verkeerd? Waarom moet iets eigenlijk ‘stijleigen’ zijn? Wij zingen Geneefse psalmen (renaissance, 16e eeuw!) vaak op een 19e -eeuwse manier, soms door de organist heftig gemarineerd in chromatiek. Niet stijl-eigen dus.

Dit soort gesprekken over wat ‘kwaliteit’ is of zou moeten zijn in de kerkmuziek kun je vaak een gevarieerd voeren. Er spelen dan vaak ook emoties en allergieën mee. Die lopen nogal eens hoger op dan gesprekken over theologische opvattingen. Begrijpelijk, want niets raakt zo aan het gemoed als de muziek.

In het nu volgende wil ik wat mijmeren over het begrip kwaliteit in relatie tot de muziek in de kerk. Waarop richt die zich? Dat brengt ons al snel bij de vraag naar het wezen en het doel van muziek in de kerk. Want het is duidelijk dat christendom en de muziek al vanaf het begin innig bij elkaar horen, alle pogingen om de preekstoel centraal te stellen ten spijt. Maar hoe?

Kwaliteit

Het was destijds een uiterst boeiend en gezellig symposium dat ging over de vraag L’art pour l’art of ‘u-vraagt-wij-draaien’. Aan bod kwamen onder meer de verschillende liedculturen en muzikale stijlen in de kerk. Aan het einde was er een forumdiscussie met de aanwezige inleiders. De voorzitter, een uiterst bekwaam kerkmusicus, keek me ter afsluiting aan en vroeg of de ‘kwaliteit’ toch niet doorslaggevend moest zijn. Ik weet niet meer wat ik heb geantwoord, maar ik heb er sindsdien wel veel over nagedacht. Hij had een punt. De roep om muzikale kwaliteit klinkt met name vanaf de jaren ’60 luid onder kerkmusici en in de opleidingen, in officiële stukken en kerkvergaderingen, bij dominees en liturgen. Ook in de meer evangelikale hoek zijn de bands in toenemende mate professioneler en de spelers goed (op conservatoria) opgeleid. Helaas vertaalt dit zich nog te weinig in financiële investeringen, maar dat terzijde.

Laten we wel wezen: geen zinnig mens is tegen kwaliteit. We prefereren een goede auto boven een slechte, een goede espressomachine boven een slechte, enzovoorts. Datzelfde geldt voor de muziek. Het is voor onze oren pijnlijk om naar een slecht spelende muzikant te luisteren. Foute noten, verkeerde dynamiek, onritmisch spel, slechte harmonisaties en lelijke interpretaties bedreigen het luisterplezier. Ze storen en ver-storen. Datzelfde geldt voor kwalitatief slechte liederen of instrumenten. Je kunt ernstig lijden onder een slechte en ongestemde piano die je in kerken en zaaltjes hier en daar nogal eens aantreft. Bij zo’n instrument moet je geven en krijg je niets terug. Het leuke is wel weer dat zelfs een slechte Bach-uitvoering je kan laten genieten, maar dat is in zo’n geval helemaal aan Bach zelf te danken.

Over Bach gesproken. Toen Bach zijn tweede standplaats als organist, die in Mühlhausen, al snel verliet gaf hij in de ontslagbrief aan wat zijn einddoel was: een ‘wohlzufassenden’, een ‘regulierten Kirchenmusik’. Dat kon hij hier niet verwezenlijken. Op naar Weimar, Köthen en .. Leipzig! Als we vervolgens zijn totale oeuvre – en de receptiegeschiedenis ervan – onder ogen zien dan kunnen we niet anders oordelen dat zijn muziek tot de ultieme standaard behoort als het om ‘kwaliteit’ gaat. In dat geval hebben we wel een probleem. Immers, naar deze maat geoordeeld kunnen verreweg de meeste kerken hun deuren dan sluiten. Want wat er op een gewone zondag in een doorsnee-kerk gebeurt is echt van een ander niveau.

De copernicaanse wending in de muziek

Tot de 19e eeuw werd muziek vaak in opdracht geschreven. Die kwam van de kerkelijke leiding of van vorsten en overheden. Nog in de tijd van Bach diende de muziek iets van buiten haarzelf te reflecteren. Ze was dienaresse van kerk en geloof, ze weerspiegelde sinds de Griekse oudheid de kosmische structuren – de ‘harmonie der sferen’. Daarnaast heeft het protestantisme vanaf de 16e eeuw veel nadruk gelegd op de samenzang van de gelovigen zélf. Geen ingewikkelde concertante muziek, maar eenvoudige liederen die aansloten bij de (culturele) leefwereld van de gewone man en vrouw.

Die visie op muziek veranderde in de 19e eeuw. In toenemende mate werd muziek beschouwd als iets voor en in zichzelf. L’art pour l’art. Muziek, de esthetica, was uitgangspunt, doel en middel. Het concertpodium haar natuurlijke onderkomen. Alle aandacht voor de muziek. Het ging nog verder. De opvatting dat muziek ergens over gaat, ten dienste staat van inhoudelijke en emotionele expressie, werd door sommigen verlaten. De beroemde muziekcriticus Eduard Hanslick (1825-1904) beschouwde muziek slechts als ‘vorm’, als ‘tönend bewegte Formen’ die geen gevoelens tot inhoud kunnen hebben. De geschiedenis van de muziekfilosofie laat zien dat dit standpunt in de 20e eeuw steeds verder is ontwikkeld en werd gebruikt om afstand te nemen van ‘expressieve’ muziek. Deze kan naar haar aard nu eenmaal geen ideeën of gevoelens weergeven zoals taal dat wel kan. De meningen hierover zijn weliswaar nog steeds verdeeld, maar het staat vast dat het zwaartepunt in de muziek verschoven is. Van kerk naar concertpodium, van muziek als dienaresse van het geloof naar muziek die autonoom is. Ongetwijfeld heeft ook de secularisatie invloed gehad op dit proces. Mensen die in de kerk niets meer ervaren doen dat in de poptempel of het concertgebouw wel. Dit alles heeft de muziek als zodanig ongetwijfeld veel goeds gebracht. Het bood ruimte aan nieuwe en bijna ongelimiteerde creatieve processen. Het ijkpunt hierbij werd de ‘kwaliteit’. Kwaliteit in compositie en uitvoering. Kwaliteit die bezongen of bekritiseerd kan worden in toonaangevende recensies. Maar wat kan of moet ik hiermee in mijn geloof, in mijn kerk?

Welke kwaliteit?

Want, laten we wel wezen, de muziek blijft een van de belangrijkste elementen in de bijeenkomst van christenen. Elke muzikant in de kerk beaamt dit natuurlijk en zal zijn of haar best doen om een zo hoog mogelijke kwaliteit te leveren. Hier begint het echter te wringen. In de geschiedenis van de kerk is er vaak een conflict geweest tussen wat de kerkleiding (theologisch) aanvaardbare kerkzang vond en wat de mensen nu eenmaal graag zongen: het conflict tussen ‘altaar’ en ‘zangzolder’. Ook de musici leggen kwaliteitscriteria aan die lang niet altijd gedeeld worden door de mensen die ‘gewoon lekker willen zingen’. Er zijn organisten die niet willen optreden met hun koor in ‘Nederland zingt’, dat is beneden hun waardigheid. Verwijten van ‘elitarisme’ en ‘goedkoop vermaak’ of ‘sentimenteel’ vliegen dan over en weer. Hoe zit het dan met die kwaliteit? Mijn antwoord zou zijn: muzikale kwaliteit is heel belangrijk, maar niet het ijkpunt. In de kerk musiceren we anders. De kerk is geen concertpodium. Ze kent geen tweedeling van ‘performers’ en ‘luisteraars’, allen zijn participant. Daarbij is al een kwalitatief probleem gegeven. Luister maar eens naar het verschil tussen een (doorsnee) zingende kerk en het Nederlands Kamerkoor (of..). Dan kies je onverwijld voor het laatste als het om kwaliteit gaat. Nu kun je tegenwerpen dat we in de kerk ook bijzondere goede (concert-) organisten hebben, uitstekende bands en semiprofessionele koren, maar dan ga je voorbij aan het feit dat die niet het ijkpunt zijn (en ook niet in de meerderheid). Anders gezegd, aan de muziek in de kerk worden meer en andere eisen gesteld dan alleen die van concertante kwaliteit. Wat zijn die ijkpunten en hoe verhouden die zich tot het thema ‘kwaliteit’?

IJkpunten

Het hart van de muziek in de kerk is de ervaring, de beleving van de aanwezigheid van God ‘in ons midden’, de Ontmoeting. Muziek helpt je te bidden, God te ervaren, geestelijke inhoud te verwerken, te lofprijzen en op een diep niveau te participeren in de liturgie. De muziek is hier altijd dienstig aan de ontmoeting met God, je mede-christenen en jezelf. Dat werkt in twee richtingen die we het beste met de bekende termen ‘uiten’ en ‘innen’ zouden kunnen benoemen. Expressie en Impressie. Twee richtingen die elkaar aanvullen en die de wegen vormen waarlangs de ontmoeting met God plaatsvindt als reciproke ‘ladder van Jacob’. De eisen die in dit verband aan de muziek gesteld moeten worden zijn anders dan op het concertpodium, al is er overlap. Het gaat niet om de muziek, maar om mijn, onze ontmoeting met God.

Uiten (expressie)

In de eerste plaats moet de muziek mij helpen mijzelf te uiten naar God toe, bijvoorbeeld in een loflied of een klacht. Uiten is een psychische activiteit. In dit geval moet muziek emotionele (niet: sentimentele) en geestelijke kwaliteit hebben. Muziek, de melodie, kan ons bijvoorbeeld helpen als ons gevoel op slot zit en we niet bij de tekst kunnen komen van een lied. Aangezien wij als mens verschillen in onze beleving en emoties stelt dit aan musici de eis dat men zich kan verplaatsen in verschillende stijlen en genres (en mensen). Ik denk bovendien dat het ‘uiten’ naar God toe voor de meeste mensen iets is dat vraagt om eenvoud. De muziek dient hier immers een psychologisch proces van – zeg maar – ‘ontlading’, in welke vorm dan ook. Zware (en gezwollen) poëtische teksten en ingewikkelde muziek zijn dan contraproductief en verleggen de aandacht. Volgens Eugene Peterson (zijn boek over de psalmen) vraagt de lofprijzing om ‘de taal van de intimiteit’, de ‘brabbeltaal en niet om technische hoogstandjes. Het lijkt mij dat we nog teveel over muziek in de kerk nadenken vanuit het perspectief van óf de theologie (het Woord) óf de muzikaal-technische kwaliteit. In de psalmen lopen al deze zaken door elkaar heen, die kun je ook eigenlijk niet afstandelijk, met droge ogen zingen. Ik pleit niet voor emotionele toestanden in de kerk, maar voor herwaardering van de psychologische, emotionele kanten van ons zingen en spelen. Waarin wij allemaal participeren. Juist dát was het bijzondere aan wat er gebeurde in het Lutherse kerkje in de film ‘As it is in Heaven’. Muziek, samen zingen vooral, smeedt gemeenschap. Zelfs een eenvoudige grondtoon deed er wonderen.

Bij verdriet, pijn en boosheid – een groot deel van de psalmen is gewijd aan het uiten, zingen van klachten! – hebben wij behoefte aan mooie, liefst poëtische teksten. Toch is ook hier eenvoud belangrijk als we onszelf willen uiten in dat verdriet. Er zijn prachtige kyrie-teksten die men na lezing van een tekst zacht kan zingen, met verstilde en gevoelige begeleiding. Muziek kan ons geweldig helpen bij verwerking van gevoelens, bij gebed, bij genezing en vertroosting. Soms lijkt het alsof het poppodium deze authentieke muzikale functie heeft overgenomen. Men wil geen emotionele toestanden in de kerk, geen melodieën die emotie oproepen, geen ‘belevingscultuur’. Toch is die in de kerk eeuwenoud en legitiem. Bovendien bestaat iets als on-emotionele muziek niet, vraag dat maar aan Erik Scherder. Linkerhersenhelft-muziek is een mythe. ‘Het zijn niet de wetenswaardigheden over componisten die ervoor zorgen dat ik geraakt wordt, het is de ervaring die de muziek teweegbrengt. Zoals ik jou kan raken en jij mij. Maar voor die dimensie is in de wetenschap geen plaats’, aldus filosoof Jos Kessels n.a.v. zijn boek ‘Het welgetemperde gemoed’ (over Bach’s Wohltemperierte Klavier. Filosofie Magazine, okt. 2019). De hamvraag is of we deze beleving een plaats willen geven in de liturgie, op zo’n wijze dat de meeste mensen die ook als zodanig ervaren kunnen. De kwaliteitseis is in dit geval van een andere orde. Kunnen wij zo met liederen en muziek omgaan dat aan de beleving en de emoties recht wordt gedaan zonder dat er grenzen worden overschreden? De kerk is immers geen therapie-setting, maar ook niet alleen maar een ‘leerhuis’. Geen sentimentenfabriek, maar ook geen hersengymnastiek Het zoeken naar een juiste balans door voorgangers en musici (samen!) is dus van belang.

Innen (verinnerlijking)

In de tweede plaats is er het ‘innen’. Dat werkt psychologisch weer anders. We zingen onszelf van alles ‘te binnen’. Dat stelt hoge eisen aan de kwaliteit van de tekst waarin wij ons gezamenlijk moeten vinden, ze moet wat ‘doen’ in ons, ons geloof sterken. Het is geen interne informatie-overdracht.

Hier speelt de muziek een andere en misschien ook wel omvangrijkere rol. We innen geloofsinhouden in de meest brede zin van het woord. Dat gaat over wie God is, wat Hij doet, over de geschiedenis die Hij heeft met Zijn volk, over ons, over wat er allemaal goed en verkeerd gaat, over de bijbel, over het geloof en het recht en noem maar op. Het resulteert meestal in strofische liederen met een al dan niet omvangrijke hoeveelheid tekst. Die zingen we ons te binnen, vaak tegen ons ongeloof, onze weerstand in. De impact van de muziek daarbij is nauwelijks te overschatten. Door de melodieën onthouden we de tekst beter. De muziek werkt verzachtend en overwint de weerbarstigheid van het verbale. De melodie zorgt ervoor dat de tekst beter tot ons doordringt en wel op een dieper niveau in onze hersenen en in ons geestelijke leven. Een gelezen tekst enerzijds of dezelfde tekst op een melodie zingen (of met begeleidende muziek lezen) anderzijds is een groot verschil.

Het huidige hersenonderzoek heeft in dit verband tot hele mooie inzichten geleid, hersenwetenschapper Erik Scherder schreef er een aanstekelijk boek over. De uitspraak van Augustinus: ‘zingen is tweemaal bidden’ is dus ook hersen-fysiologisch waar.

Dit geldt niet alleen voor gezongen liederen, maar juist ook voor instrumentale muziek. Muziek heeft een enorm vermogen tot plasticiteit. Ze ‘hecht’ zich naadloos en vriendelijk aan herinneringen, gebeurtenissen, geloofsinhouden, ideeën en ervaringen. Ze oordeelt niet. Het associatieve vermogen is groot, ook al gaat muziek zelf – muziekfilosofisch gesproken – nergens over. Je hoeft maar een melodie te horen of er schiet je meteen iets te binnen dat je raakt. Muziek kan niet verwijzen zoals taal dat doet, maar is in staat zich aan betekenissen te verbinden, ons leven betekenis te geven en inhouden over te brengen waar woorden tekort schieten. Het ‘speelt’ op een ander niveau in ons brein. Trouwens, woorden kun je intellectueel gesproken blokkeren, negeren of er kritisch op reageren. De muziek omzeilt dat allemaal en we zijn er in feite weerloos tegen.

Muziek kan ons helpen om bij ons gevoel te komen als dat op slot zit. Het helpt ons geweldig in de ontmoeting met God, iets dat nu eenmaal niet vanzelf gaat en vele blokkades kent. Daarom ben ik van mening dat we nog veel te weinig doen met instrumentale muziek in de kerk, we buiten haar kracht en mogelijkheden onvoldoende uit. Ik heb het dan niet alleen over de bekende concertante muziek, maar ook over bijvoorbeeld geïmproviseerde instrumentale muziek die een rol speelt bij de voordracht

van teksten, bij beelden, tijdens momenten van gebed en verstilling. Dat is alleen mogelijk als je de muziek de tijd (het is een tijd-kunst!) en een plaats geeft in de dienst. En dat veronderstelt weer dat de mensen in de kerk hebben leren luisteren. Instrumentale muziek opsluiten achter de collecte of alleen uitvoeren bij binnenkomst en weggaan is zonde. Het is met name hier dat aan de muziek hoge kwaliteitseisen worden gesteld, maar ook hier is kwaliteit niet het doel.

Conclusie

Ik wil ervoor pleiten om op een brede(re) manier naar het verschijnsel muziek in de kerk te kijken. Soms denk ik dat wij teveel focussen op ‘concertante’ muziek en haar criteria. We willen immers ‘professionaliseren’. Kwaliteit is ontegenzeggelijk belangrijk, maar als dat het is dan ben je op het concertpodium veel beter af. Als muziek ons niet helpt bij heel ons geloofsleven, onze gevoelens, emoties en stemmingen, ons innen en uiten, dan boet ze aan betekenis in. Net als in het onderwijs vraagt het van de muzikant om aansluiting bij de mensen in de kerk. Aangezien die heel verschillend zijn qua opleiding, voorkeur, muzikale stijl, emoties en karakter is het zaak te kunnen ‘stretchen’ en bijvoorbeeld samen te kunnen spelen met muzikanten met een ander niveau. Het vraagt, naast de muzikale kijk, ook om een pastorale, een theologische, een psychologische en een sociologische kijk, zowel op de muziek als de liturgie. Bovenal vraagt het om een ontspannen insteek. ‘Liturgie is een spel’, zeggen sommige liturgiewetenschappers. Het speelse, de vrolijke creativiteit is echter in de praktijk soms ver te zoeken. Het moet allemaal ‘serieus’, lijkt het. Wee als er een noot verkeerd is of er een rite niet goed wordt uitgevoerd.

Ik denk wel eens dat de muziek in de kerk meer verwantschap heeft met wat er in de ruimte van de muziektherapie gebeurt dan met wat er op het concertpodium gebeurt. Dat is natuurlijk te kort door de bocht en vraagt om allerlei nuanceringen, maar toch. We kunnen van de muziekpsychologie leren, op inhoudelijk en creatief gebied. Hoe verschillend wij ook zijn en denken over muziek, esthetica en beleving, op het diepste niveau van ons zijn hebben wij dezelfde behoeften. Aan liefde en recht, aan zin en betekenis. We zoeken in de christelijke muziek naar wat voor ons hart goed is en ons sterkt in ons geloof. Dat is het vrolijke speelveld.

Website van het project Stay-tuned: https://staytunednu.weebly.com/


Reacties

De Kwaliteit en het Spel — 2 reacties

  1. Mooie blog, Kees, ik zie kwaliteitsverbetering als doel van elke onderdeel in de dienst. Ook van prediker en cameraman. Je kunt bij elke beginner niet te hoge kwaliteitseisen voorafstellen. Iedereen moet de kans krijgen om te groeien. Het beginnersniveau moet wel dienstbaar zijn aan de ontmoeting met de Here God. Wanneer dat door vals of onritmisch spel niet wordt gehaald, dan is de muzikant nog niet geschikt voor het doel van het kerk zijn. Dan is kwaliteitsverhoging nodig om het beginnersniveau te halen. Vreemd dat er in de muziekwereld zo’n sterke allergie richting volkse muziek is. Wat een hoogmoed om Nederland zingt beneden je stand te achten. Dat heeft niet met kwaliteit te maken, maar met smaak en voorkeur.
    Ik geloof trouwens dat ook buiten de kerk een verborgen behoefte aan een goddelijke ontmoeting wordt ervaren. De passionen zijn niet alleen populair door hun hoge kwaliteits maar ook door wat ze in mensen wakker maakt. Waarschijnlijk meer dan gemiddelde opera vermoed ik, mark

  2. Dag Kees, dank voor het verwijzen naar ons project StayTuned.nu. Je schrijft behartenswaardige dingen. Echter, als ik lees “Het project ‘Stay-tuned’ probeert jonge mensen te interesseren voor het orgel”, dan zijn we als organisatie van StayTuned.nu blijkbaar erg onduidelijk in onze communicatie. Dat is namelijk niet onze doelstelling, daar is Orgelkids voor bedacht, en theaterproducties als Polle en Piet Prestant, en die willen we niet beconcurreren, integendeel. StayTuned.nu wil getalenteerde tieners die al een tijdje orgelspelen maar in de tienerleeftijd allerlei redenen kunnen hebben daarmee te stoppen (waarbij de puberteit een belangrijke rol speelt) stimuleren te blijven spelen. Dat is dus een andere doelstelling dan ‘jonge mensen interesseren voor het orgel’… want dat zijn ze dan al.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *