Nieuwe wegen met de psalmen?

Roel BoschEen jaartje na het verschijnen van het nieuwe Liedboek schreef de PKN-predikant Roel Bosch een boeiend boekje over de psalmen van het nieuwe Liedboek – Steeds weer zoeken mijn ogen naar U. De Zeister predikant maakte deel uit van de redactie van het Liedboek en was daarbij ook nog eens voorzitter van de werkgroep, die zich bezig hield met de psalmen. Drs. Freddy Gerkema, predikant van NGK Amersfoort-Noord geeft in Opbouw zijn reactie (overgenomen met toestemming).

 

Best boeiend om iets te lezen over de psalmen in het nieuwe Liedboek. Dat ze gewoon ‘liederen’ worden genoemd, genummerd van 1 tot 150. En dat je tussen de 150 Geneefse psalmen – vrijwel ongewijzigd overgenomen uit het Liedboek voor de kerken – ook tal van alternatieve psalmversies aantreft. Blader je er wat doorheen, dan varieert dat van Taizé-liederen (103e), onberijmd op muziek gezette psalmen (91c), Psalmen voor Nu (130c), canons (103b), Opwekkingsliederen (51b) tot nieuw geschreven liederen, waarbij je een langere psalm als een kortere collage terugvindt (31a). Ook de gezangen uit het Liedboek voor de Kerken, die eigenlijk op een psalm geënt waren, hebben een plekje gekregen als alternatief voor de Geneefse psalm (146a, 146c). Over al die verschillende tradities gaat het in de eerste helft van het boek (hoofdstuk 1). Bosch heeft niet de neiging om de ene stroming tegen de andere uit te spelen. Eerder benadrukt hij de eigen kracht van de verschillende liedgenres en rekent nuchter met de kerkelijke werkelijkheid dat niet elk lied in elke gemeente gezongen zal worden. En ook dat de ene dienst de andere niet is.

 

Stoer en berijmd

Het is in het nieuwe Liedboek dus even anders dan we als protestanten gewend waren. Want als het om psalmen ging waren dat altijd de psalmen in coupletvorm – ‘allemaal en helemaal’, berijmd in het voetspoor van Calvijn. De reformator wilde, net als Luther, de gemeente laten zingen en wat is er dan mooier om de mensen in een berijmde vorm het Woord van God zelf te laten zingen? Dat leverde stoer en stevig psalmgezang op, dat tegelijk ook heel persoonlijk kon zijn – Bosch refereert aan een prachtig gedicht van Nijhoff over de psalmen zingende schippersvrouw bij de nieuwe brug van Zaltbommel.

Toch laat Roel Bosch aan de hand van de berijmingen van 1773 en 1967 ook zien, dat er – in vergelijking met de onberijmde tekst – al rijmend en dichtend wel het één ander is weggelaten en toegevoegd. De verschillen tussen psalmen en gezangen zijn dus minder fundamenteel dan men vaak deed voorkomen.

 

Lastig lang

Aan het zingen van de psalmen in coupletvorm bleken ook lastige kanten te zitten, zoals de lengte en daarmee het aantal coupletten. In welke dienst zal een psalm als de 22e in zijn geheel gezongen zijn, laat staan de 119e! De praktijk werd al snel dat er voor een zondagse dienst per psalm een paar coupletten werden uitgekozen. Bosch zegt ergens dat de keus meestal viel op coupletten ‘die eigen geloof, eigen gevoel bevestigen en versterken’ (p.109). En zo is het eigenlijk nog steeds.

Dat er ook psalmen zelden of nooit gezongen werden, heeft weer andere redenen, die meer van theologische aard zijn. In het vierde en laatste hoofdstuk van zijn boek gaat de Zeister predikant daar verder op in. Hij signaleert dat je oploopt tegen de vraag of de christelijke gemeente, in het licht van Jezus’ komst, de psalmen zo onveranderd kan blijven zingen. Bijvoorbeeld als het gaat om de donkere kanten aan God (toorn en wraak) of om de harde roep om vergelding in sommige psalmen in plaats van de apostolische aansporing tot liefde en gebed voor de vijand. In het boekje valt te lezen dat dit soort vragen al leven vanaf het begin van de kerk. Zo maakte Benedictus (rond 500) bij Psalm 137 al een creatieve vertaalslag – niet de kinderen van Babel, maar je eigen zonden moet je zien te pletten tegen de rotsen!

 

Onberijmd zingen

Met Benedictus zit je bij de kloosters, waar het gewoonte was om dagelijks de psalmen volgens vaste roosters te zingen. Deze traditie van psalmenzang is dus meer dan duizend jaar ouder dan het zingen van de Geneefse psalmen! In sommige kloosters zongen de monniken in een week het hele psalter in onberijmd Latijn door. En dat ging dan op een (reciteer)toon waarop de meeste woorden van een psalmregel gezongen werden, vaak afgewisseld met een soort refreinregel (of antifoon), waarin een kerngedachte van de psalm werd verwoord. En zo gaat het tot op vandaag (bijvoorbeeld Psalm 121). Op zichzelf zit je met deze manier van zingen heel dicht op de Bijbeltekst, maar tegelijk is het te lastig voor gemeentezang. Doe je het wel op die manier in de gemeente, dan zal alleen de refreinregel door allen worden meegezongen.

Vormen die in de modern-katholieke traditie ontstonden (Oosterhuis-Huijbers, bijvoorbeeld Psalm 118) hebben wel iets van deze opzet, al zit er in deze zang veel meer melodie en vaak ook meerstemmigheid. Een cantorij of solist zal in zo’n geval de lopende tekst ten gehore brengen, waarbij de gemeente het refrein kan zingen. Bosch schrijft er enthousiast over vanuit de praktijk in zijn eigen gemeente. Daarin nodigt het boekje uit om ook eens een psalm te zingen op een manier, die je niet gewend bent. En dat sluit aan bij een openheid die in de afgelopen decennia in de breedte van de kerken is gegroeid. De korte zangvormen, zoals van Taizé of Opwekking, maar ook de gezangen uit de Lutherse traditie en recent de ‘Psalmen voor Nu’, hebben er voor gezorgd dat je bij het zingen van psalmen niet alleen aan de berijmde versie hoeft te denken.

 

Een nieuw Psalter?

In het tweede hoofdstuk geeft Roel Bosch een impressie van de totstandkoming van de psalmberijming  van 1967, die dus ook in het nieuwe Liedboek terecht is gekomen. Het is aardig om te zien dat in de jaren vijftig tal van vragen en discussies speelden, die ook al in eerdere eeuwen de gemoederen hebben bezig gehouden. Het ging over de dichterlijkheid van de taal, maar ook over de geschiktheid van de melodieën en dat in een tijd waarin men van hele noten overging naar ritmisch zingen van de psalmen. Maar het kon ook gaan over de christianisering van het Psalter en de vraag in hoeverre er in een berijming van  de psalmen een verwijzing naar Jezus mocht zitten. Zo leverden ‘Het nachtmaal der genade’ (Psalm 23) en ‘Het is volbracht (Psalm 22) veel gespreksstof op.

Leerzaam zo’n hoofdstukje. Maar de vraag kwam wel bij me hoe gelukkig Roel Bosch zelf is met die overname van dat Psalter uit 1967. Want al lezend in zijn boekje merk je dat hij wel zit te denken aan een nieuwe berijming van het Psalter. Daar deinsde de ISK (en de toen deelnemende kerken) bij voorbaat voor terug. Maar Bosch signaleert op meer dan één moment dat de jaren gaan tellen voor de berijming van 1967. In het paragraafje ‘Zingt den Heer een nieuw gezang’ komt hij met woorden en wendingen, die anno 2014 ook vijftigers en zestigers ouderwets in de oren klinken. Hoeveel te meer de tieners – gevloden, raad der bozen, gij sloegt. Het is Nederlands van vlak na de oorlog, zo Bosch. En ergens halverwege zijn boekje (p.57) schrijft hij bij een passage over zes opnieuw berijmde psalmen (o.a. de genoemde 31e): ‘Zijn deze zes psalmen een eerste oogst in de zoektocht naar een nieuwere berijming van alle psalmen?’

Psalm als compositie

Voor Bosch is het helder dat die nieuwe berijming er echt anders uit zal gaan zien. Het zal vrijer worden en korter. Ik ben benieuwd, omdat ik in het afgelopen decennium ook sterker de minpunten ben gaan ervaren bij het zingen van berijmde psalmen. Waarom ‘allemaal’ en ‘helemaal’? Waarom moet alles van een psalm gezóngen worden en dan ook nog collectief?

Start maar eens bij de onberijmde psalm, zou ik zeggen. Kijk dan eens welke gedeelten inhoudelijk geschikt zijn voor gemeentezang, terwijl andere passages beter solo zouden kunnen of zelfs gelezen. Ik hoorde een paar jaar geleden Huub van der Lubbe Psalm 55 zingen bij een presentatie van het helaas gesneuvelde project van de Bijbel Tapes. Zo recht uit het hart van een eenling was het pakkend, maar wat blijft daar van over als het door een collectief couplet na couplet gezongen zou worden.

Voor Psalm 73, met het getob van een eenling over God, geldt dat ook. Laat één stem dat maar vertolken, zingend of lezend, waarna de gemeente met één of twee coupletten het slot van de psalm zou kunnen zingen.

En als laatste Psalm 139. Het eerste stukje (over Gods nabijheid) zou wat mij betreft wel met de hele gemeente kunnen, het tweede en derde deel door twee solisten, de roep om wraak gelezen en dan het laatste moment van inkeer weer collectief. Zo zou je de hele psalm in een dienst een plek kunnen geven.

En dat zou dan niet moeten door wat te knutselen met NBV in combi met een paar coupletten uit de berijming van 1967, maar met een nieuwe sprekende compositie van de hele psalm. Waarmee je alsnog recht doet aan wat kerkelijk goed is aangevoeld – dat je gewoon niet al die coupletten als gemeente moet zingen, terwijl er toch ook iets voor is om een hele psalm tot je te nemen.

Dat was een overweging, die bij me opkwam op momenten, dat Roel Bosch in de richting zat te denken van een nieuw Psalter.

 

Open lijnen

Roel Bosch schrijft uitnodigend over het nieuwe Liedboek dat in 2013 verscheen. Open ook naar de toekomst die misschien wel heel anders zal worden. Ergens (p.101) speelt hij met de gedachte dat het christelijk geloof misschien nog wel eens heel andere vormen zal aannemen dan nu. Hoe zal het dan gaan met de zang van geloofsliederen? Zo stimuleert het boek om wat uit de egelstellingen te komen.

Ik denk ook aan de momenten waarop Bosch aanmoedigt tot onderling gesprek over liederen. Probeer eens wat mee te bewegen met een wat archaïsche wending in een lied, suggereert hij. Of ga eens in gesprek met iemand om te horen wat de ander aanspreekt in een op het eerste oog toch wel erg simpele liedtekst. Ik heb ook niet de indruk dat het denken in gemeenteprofielen (een niet onbelangrijk element bij de invoering van het Liedboek) bij hem het laatste woord is. Vooral ook niet,  omdat in iedere gemeente de verscheidenheid aan opvattingen over de gemeentezang eerder toe- dan afneemt. Nu is de ene dienst de andere niet en zelfs binnen een dienst kunnen liturgische momenten zo verschillend zijn dat er ruimte is voor een verscheidenheid aan liedculturen in dat ene uur. De indruk die ik aan de lezing van het boekje heb overgehouden is dat Roel Bosch op zulke punten een open en inhoudelijke gesprekspartner is.

 

N.a.v. Roel. A. Bosch (2014), Steeds weer zoeken mijn ogen naar U. De psalmen in Liedboek, zingen en bidden in huis en kerk. Boekencentrum, Zoetermeer

 

 


Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *